Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE KUDELSTAART

Dankdag

Kerkdienst op woensdag 7 november 2018
Schriftlezingen: Leviticus 14:1-11 en Lucas 17:11-19 

Geluidsopname binnenkort beschikbaar


 “Uw geloof heeft u gered” (Lucas 17:19)

 

Eén van de belangrijke dingen, die we in de kerk doen is: danken. We hebben er zelfs deze speciale jaarlijkse ‘dankdag’ voor. We danken vanavond voor ‘gewas en arbeid’. God heeft ons gewas gegeven: al wat groeit om ons te voeden. God heeft ons arbeid gegeven: we kunnen onze boterham verdienen en een steentje bijdragen aan de maatschappij. Zo danken wij voor dagelijks brood, kracht en gezondheid. Wij danken voor alle goede gaven, die wij ontvin­gen. Dat spreekt toch eigenlijk vanzelf?

Hoewel "vanzelf"... Danken gaat niet altijd “vanzelf”…

Als Jezus tien melaatsen, 10 mensen met huidvraat, genezen heeft, keert er slechts ééntje terug om zijn dank te betuigen. Eén op de tien komt de HEER bedanken. En dan nog wel iemand, van wie je het niet verwacht. Een Samaritaan, een andersdenkende, een allochtoon. Híj alleen keert terug om Jezus te bedan­ken. Waar zijn die andere negen?, vraag je je af.

Melaatsen, mensen die aan huidvraat lijden, woonden in de Bijbelse oudheid buiten de bebouwde kom van de bewoonde mensenwereld. Dat was in een tijd van gebrek­kige gezondheids­zorg en slechte hygiëne bittere noodzaak. Het was van levensbelang voor de gemeenschap. Vanwege besmettingsgevaar. Een melaatse telde noodgedwongen helemaal niet meer mee. Hij was een uitge­stotene.

Gelukkig hoeven we dat tegenwoordig niet letterlijk meer in prak­tijk te brengen. Met een paar voorzorgsmaatregelen kom je al een heel eind. Besmettingsgevaar kunnen wij voorkomen met inen­tin­gen. Slechts weinig zieken hoeven tegenwoordig in de quarantainekamer van een ziekenhuis opgesloten te worden. Als tijdelijke maatregel. Letter­lijk voor altijd afgesloten en buitengesloten worden van de gezonde wereld is gelukkig hier niet meer nodig. Je moet er niet aan denken dat je in een Afrikaans land leeft, waar het ebolavirus toeslaat. Dan worden jij of een hele groep mensen totaal geïsoleerd.

Toch loopt ook bij ons een zieke of een gehandicapte altijd het gevaar behan­deld te worden als een soort melaat­se. Als iemand, die er niet helemaal meer bij hoort. Als je een klein poosje ziek bent, dan gaat dat nog wel. Je plaatsje wordt openge­houden. Je stoel blijft warm. Je krijgt bezoek van je colle­ga's, vrienden en kennissen. Een bloemetje uit de kerk. Aan belang­stelling geen gebrek. Iedereen leeft met je mee. Als het wat langer duurt, ontvang je zo nu en dan nog een kaartje of bezoekje. Maar als het té lang duurt, dan bloeden de contacten langzaam maar zeker dood. Dan sta je steeds meer alleen. Hope­lijk zijn er dan een paar echt goede vrienden, die door dik en dun trouw blij­ven in hun medeleven. In de nood leer je die vrienden kennen. Echte vrienden: Mensen, die van je houden. Mensen, die je aanvoelen, vaak omdat ze zelf ook het één en ander hebben meegemaakt.

Meestal is dat maar een klein kringe­tje. Zo is het ook met de melaatsen uit het evangelie. Zij zwerven rond in een groepje van tien. Allemaal zitten ze in hetzelfde schuit­je. Steun en troost zoeken ze bij elkaar. Ver­schillen vallen weg: Samaritanen en Joden, die voor elkaar in het normale leven de neus ophalen, vinden elkaar als lotgenoten. In de nood ben je één. Zoals je op een ziekenhuiskamer soms bevriend kunt raken met mensen, die je normaal helemaal niet tegengekomen zou zijn. Zo is het met die tien. Samen knokken, samen bedelen, samen bidden ze zich er door.

En wat een wonderbaarlijk geluk: Jezus geneest hen allemaal. Wat ze nooit meer verwacht hadden, is toch nog gebeurd. Gezondheid? Nee, daar hebben ze nooit meer op gerekend! Maar de hemel heeft ten lange leste hun stem gehoord. Hun klacht ver­staan. Lang gewacht - TOCH nog antwoord. Door Jezus, de HEER.

Een vreemde ontmoeting is het. Van veilige afstand zien we ze staan met zijn tienen. Ze schreeuwen: “Jezus, Mees­ter, heb mede­lijden met ons”. We horen Jezus van op afstand terugroe­pen: "Ga u aan de pries­ters laten zien". Dat is de enige thera­pie. Dat medicijn moeten ze slikken. Ze gaan - gehoorzaam aan het bevel van Jezus. Misschien zeggen ze wel tegen elkaar: "We kunnen het proberen. Baat het niet, het schaadt ook niet!" Hoe dan ook en wonder boven wonder: Het baat wél. Ze merken het aan hun lijf. Ze voelen zich gaandeweg ge­zond worden. De pijn en de zweren trekken weg uit hun lichaam. De hemel daalt op hun plekje aarde neer. Maar waar moeten ze nu heen? Op zoek naar een pries­ter natuurlijk. Dat heeft Jezus hen opgedragen. Zo staat het ook voorgeschreven in de Thora, in Leviticus 14. Een priester moet hen onderzoe­ken. Die kan een heel ritueel met hen uitvoe­ren, dat enkele dagen duurt. Het begint met twee vogels. Eén vogel wordt geof­ferd. Eén vogel losgelaten. Die mag wegvliegen in de vrije buitenlucht. Voor de melaatsen een teken van herwonnen vrijheid. Het oude leven is voorbij. Het verleden is dood en begra­ven; je bent verlost van je kwaal. Een nieuw leven begint! De priester spreekt het verlos­sende woord en je bent als melaatse weer vrij om te gaan en te staan waar je wilt. Als een vrije vogel. Als een vogel zo vrij!

Maar er is MEER op de wereld dan een goede gezondheid. Als melaatse ben je er niet, als je maar weer gezond bent. Je moet terug naar het gewone leven. Terug naar het tentenkamp, naar je dorp of je stad. Weer in contact komen met je medemensen. Weer opgenomen worden in de maatschappij. Daar mag jij je plaats weer innemen. Daar mag jij het werk weer oppakken, dat je zolang niet hebt gedaan. Daar mag je weer een zinvolle bijdrage leveren aan de maatschappij. Je voelt, dat je weer meetelt onder de mensen. Dat je gewaardeerd wordt om wat je doet, om wat je zolang niet KON doen. Dat is minstens even belang­rijk als goede gezondheid. Ook dat is een reden tot dankbaarheid. Daarom danken we vanavond ook voor onze arbeid. Omdat het niet zo maar iets is, als je je werk kunt doen. Betaald of onbetaald. Voor kerk, gezin en maatschappij.

De genezen melaatsen nemen hun plaatsje weer in, maar dat gaat niet zo maar. Als je zo lang aan de kant hebt gestaan, moet je plaats weer veroveren. Re-integreren. Herintreden, noemen we dat tegenwoordig. In het oude Israël hadden ze daar een overgangsperiode van zeven dagen voor staan. Zeven dagen mogen genezen verklaarde melaatsen in hun woonplaats overnachten. Maar nog niet in hun tent of hun eigen huis. Niet bij hun gezin. Dat mag pas op de achtste dag. Zoals op de achtste dag een Joods jongetje besneden wordt. Opgenomen in de gemeenschap van volk en familie. Je krijgt een naam. Zo wordt een melaatse na acht dagen, als een pasgeboren kind, opnieuw volledig opgenomen in het volk. Als “weder­geboren”. Een nieuw mens. Een nieuwe Schepping van zeven dagen.

Het leven is méér dan gezond-zijn. Het leven is ook: ‘Mens zijn’ onder de mensen. Meevieren, mee-feesten, meehuilen, mee-rou­wen, meeleven, meelijden. Medewerken met al die anderen. Samen aan het werk.

Maar NOG is het dan niet afgelopen. Want er is ook nog zo iets als je relatie met God. Op de achtste dag maakt de genezen melaat­se de gang naar het heiligdom. Dan gaat hij naar de tempel, Gods woon­plaats. Naar de kerk, zullen we maar zeggen. Zoals wij, vanavond…

Als de tien melaatsen bij Jezus vandaan gaan, op zoek naar een priester, die hen kan onderzoeken, dan staat dit hun te wachten in de komende dagen. Een zevendaagse procedure om weer helemaal opgenomen te worden in de volks­gemeenschap. Daarna op de achtste dag: De gang naar de tempel om offers te bren­gen. Negen melaatsen gaan inderdaad direct op die weg. Er is werk aan de winkel. Meteen al weer: druk, druk, druk. Gezond verklaard worden. Alle regeltjes uitvoeren. Dan terugkeren naar vrouw en kinde­ren, familie en vrienden.

Maar de tiende, die Samaritaan, is anders. Hij keert direct terug naar Jezus. “Hij loofde God met luide stem”. Hij werpt zich neer voor de voeten van Jezus om te danken. Dat wil hij niet vergeten. Dat kan niet wachten. Dat is het allerbelangrijkste. Je dankbaarheid tonen op het juiste adres: Aan de voeten van de HEER.

Gezond - zijn is één. Deel uitmaken van een gemeenschap en er aan meewerken. Dat is twee. Maar het allerbelangrijkste is: Een God hebben en Hem danken voor alle goede gaven!

Jezus zegt aan het einde tegen die ene, die genezen melaatse: “Uw geloof heeft u gered”. Hij zegt niet: "Uw geloof heeft u gezond gemaakt". Hij zegt: Door je geloof ben jij gered. Gered is méér dan gezond.

Want: Je redt het niet met ‘gewas en arbeid’ alleen. Je redt het niet met een gezond lichaam. Hoe belangrijk ook! Je redt het niet als je deel uitmaakt van een gezin, een familie, een vrienden- en kennissenkring, een volk. Allemaal onbetaalbare voorrechten, maar niet genoeg.

Je bent pas “gered”, “behouden” als je aan God je dank betaalt. Dan ben je op je plek. Dan bereik je je doel. Dan ben je werkelijk een “behou­den”, een ‘gered’ mens. Dankbaarheid hoort namelijk bij het echte, ware ‘menszijn’. Zonder dankbaarheid is een mens niet meer dan een ‘ondankbaar schepsel’.

Daarom: Dank U, Heer, voor goede gezondheid. Dank U voor gewas - al wat groeit en bloeit om mij te voeden en gezond te houden. Dank U, Heer, voor de arbeid. Voor de zinvolle plaats, die ik mag innemen in de maat­schappij. Dank U dat ik werken mag. Dank U voor de mensen om mij heen, waar ik helemaal bij hoor. Prachtig mooi als je daarvoor kunt danken!

Maar als het mij aan iets ontbreekt, zal ik Zijn Naam nog prij­zen. Als mijn gezondheid minder wordt. Als mijn vrienden en kennissen rondom mij wegvallen. Als ik ontslagen wordt en moeilijk nieuw werk kan vinden...

Dan is er altijd nog één reden om God te verheerlijken, aan Zijn voeten neer te vallen en Hem te danken! De HEER danken voor wie Hij is. Voor mij.

Hij blijft bij mij. Hij redt mij. In Hem ben ik behouden. DAAR kan ik Hem altijd voor danken!’