Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE KUDELSTAART

Geluidsopname: download hier

Lezingen: Jona 2 en Lucas 1: 26-38

 

"Het is de HEER die redt" (Jona 2:10)

 

Stel je voor: je zit in een donker hol. Je ziet werkelijk geen hand voor ogen. Stikdonker is het om je heen. Nou ja, soms heel even zie je een opening aan het einde van een nauwe tunnel. Dan komt er niet alleen een streep licht, maar ook een grote plens water naar binnen golven. Zout zeewater. Je staat dan ook met je voeten in het water en je wordt  weer kleddernat. De muren van het hol zijn vreemd zacht, glibberig. Het stinkt afschuwelijk naar rotte vis en bedorven etensresten. Je kleren plakken aan je lijf. Je hoofd zit gevangen in een web van kleffe draden. Zeewier. Koud is het niet. Tenminste: dat is nog wel uit te houden. Maar verder… je walgt ervan. Je wilt eruit, maar je kunt geen kant op. Je zit opgesloten. Dit kleine donkere stinkende hol is de hele leefruimte, die je hebt. Je moet het er maar mee doen. 
Langzaam maar zeker dringt tot je door waar je belandt bent. Je denkt terug aan wat er gebeurd is. De reis met de boot – op zee. De storm, die losbarstte boven je hoofd. De zeelui, die jou ten einde raad over boord van het schip hebben ‘gejonast’. Het grote grijze monster, dat toen op je af kwam zwemmen. Hap, slik. ‘Dat was het dus’, heb je gedacht. ‘Het is afgelopen met mij’. Niet dus. Want nu zit je… in de buik van een vis.
Stel je voor! Nee, dat is niet voor te stellen! Kun jij je indenken, dat je ‘Jona’ heet?  Jona in de ‘wallevis’… Vergeet het maar. Het is onvoorstelbaar. Kan niet! Onmogelijk. In een vissenmaag kun je niet leven. Geen uur, geen dag en zeker geen drie dagen en drie nachten. Een walvissenmaag dan? Walvissen zijn zoogdieren – misschien groot genoeg van binnen? Maar komen er dan walvissen voor in de Middellandse zee? En stel dat je in de buik van een walvis zou kunnen zitten: wat moet je dan eten, wat moet je dan drinken, heb je genoeg lucht? Hoe overleef je dat? Dat overleef je niet! Dus: hoe moet ik me dát nu indenken? Dat kán toch niet? 

Het verhaal van Jona is zo’n verhaal, dat de spot oproept van buitenstaanders. Ik bedoel: mensen, die niet geloven in de waarde van de Bijbel. Die de Bijbel zien als een achterlijk en achterhaald boek. Waar je vandaag de dag niets meer mee kunt. Als ze voorbeelden moeten noemen van onvoorstelbare verhalen uit de bijbel, dan komen ze al snel met ‘Jona in de walvis’ aandragen. Of met andere ‘ wonderverhalen’ uit de Bijbel. Een sprekende slang of ezel. Instortende muren van Jericho. Jezus loopt over het water of roept Lazarus uit zijn graf. Wat te denken van dat verhaal van Advent: Een maagd die zwanger wordt. Maria die bericht krijgt dat ze zonder toedoen van een man de Zoon van God zal ontvangen. ‘Dat zijn van die dingen’, zeggen ze dan, ‘die ervoor zorgen, dat ik de Bijbel niet serieus kan nemen. Omdat dat mijn gezond verstand te boven gaat – zulke sprookjes… Kom nou even: moet ik daar in geloven?!’
Nou ja, ‘moeten’… Er is natuurlijk altijd de mogelijkheid om zo’n verhaal niet al te letterlijk te nemen. Niet als historisch feit – iets dat toen en toen gebeurd is. Liever als een beeldverhaal, een soort gelijkenis met een wijze les. ‘Niet echt gebeurd, maar wél waar’, zoals men dat noemt. Een geliefde schrijver als Nico ter Linden met zijn boekenserie ‘Het verhaal gaat…’ doet dat op die manier. ‘Jona’ zat niet écht in de walvis. De slang heeft niet ‘echt gesproken. Jezus liep niet écht over het water. De moraal, de boodschap van het verhaal – daar gaat het om. Die is nog steeds de moeite waard en belangrijker dan historische feiten. 
Gelukkig, denkt de één dan. Gelukkig kan ik zeggen: het is ‘máár’  een verhaal. Een ander schrikt. Hij denkt bij zichzelf: ‘Zó heb ik dat van huis uit niet geleerd? Ben ik dan altijd voor de gek gehouden? Door mijn ouders, de zondagsschooljuffrouw, door de oude dominees van vroeger?’. 
En jijzelf dan, vraagt iemand aan mij. ‘Jij, wat denk jij er nu van? Jij bent toch dominee? Dan moet jij het maar zeggen! Kleur bekennen!’. En dan moet ik nu dus even heel eerlijk zijn. Om te beginnen heel duidelijk zeggen, dat u, jij er best anders over mag denken. We respecteren elkaars mening. Maar, als ik heel eerlijk ben, moet ik bekennen, dat ik me voorstel, dat het echt zó gegaan is. Heel simpel, heel kinderlijk, domweg zie ik in mijn gedachten Jona écht in de buik van de vis zitten… En waarom? Waarom zo’n wonderlijk iets nog letterlijk nemen? Eigenlijk omdat ik in dat verhaal van Jona nog twee nog veel wonderlijker dingen tegenkom! 
Stel je voor. Je zit in een vieze stinkende kerker… Je kunt geen kant op… Als in de buik van de vis… Kun jij je dat voorstellen? Letterlijk voorstellen? Helaas zijn er mensen, veel teveel mensen, die zich dat letterlijk kunnen voorstellen. Mensen, die in een concentratiekamp of in een jappenkamp of in een andere stinkende kerker hebben gezeten. Of mensen, die een verschrikkelijke natuurramp hebben meegemaakt. Een aardbeving of tsunami. Of mensen, die het bombardement op Rotterdam hebben meegemaakt. Of kinderen in derde wereldlanden, die leven op vuilnisbelten. Het vuil, de stank, de vernedering, de mensonterende toestanden… Onvoorstelbaar - als Jona in de buik van de vis. 
Of minder letterlijk: stel je voor, dat je opgesloten zit in het stikdonkere hol van een uitzichtloze situatie. Je ziet geen hand voor ogen. Je kunt geen kant meer op. Je ziet geen toekomst meer. Je zit diep in de put. Je leeft in één groot donker gat. Kapot gemaakt door huiselijk geweld in je kinderjaren. Of langzaam maar zeker gesloopt door een kwaadaardige ziekte. Of in één klap beroofd van een geliefde door een hartaanval of ongeval. Hopeloos, radeloos, hartverscheurend. 
Kun je je dat voorstellen? Dan voel je iets van wat Jona voelde in de buik van de vis. ‘Drie dagen en drie nachten’, zo staat er. Een uitdrukking, die meer zegt dan ‘drie keer 24 uur’. Drie is het getal van het graf. Na drie dagen en drie nachten is er geen hoop op leven meer. Drie is de ‘deadline’. Dus beschouwt Jona zijn toestand als de diepste diepte. Complete ondergang. Hij heeft het over ‘het rijk van de dood’. Dat is geen dichterlijke overdrijving. Dat is voor Jona bittere werkelijkheid. Ten dode opgeschreven zit hij in de buik van de vis. Want wie of wat kan hem daaruit verlossen?
Maar dan het wonderlijke. Ik vind het moeilijker voor te stellen dan Jona in de buik van de vis! Luister, hoor, wat Jona doet, wat Jona zegt, wat Jona roept in die diepste diepte. Jona gaat in gebed. Sterker nog: hoor, dat Jona zingt. Ja, in de buik van de vis begint Jona te zingen. En wát voor een lied! Je zou je nog voor kunnen stellen, dat Jona om hulp roept. Als je in nood komt, dan roep je om hulp. ‘Nood leert bidden’, zegt het spreekwoord. En zeker: in de nood gaat Jona bidden. Hij roept in zijn nood de HEER aan. Hij schreeuwt uit het rijk van de dood om hulp. Hij schreeuwt het uit met zijn laatste adem. In de hoop, dat God zijn stem hoort. Maar zijn gebed is veel méér dan een noodkreet. Het is ook een lied van geloof, dat hij zingt. Een lied van vertrouwen op God. Een belijdenis, die hij vanuit de diepte uitspreekt. ‘U hoort mijn stem’. ‘Mijn gebed komt tot u in uw heilige tempel’. Samengevat in de laatste woorden: ‘Het is de HEER, die redt’. 
Stel je het onvoorstelbare voor – je zit drie dagen en drie nachten in die diepste diepte. Het is stikdonker. Geen hoop. Geen toekomst meer. Je bent ten einde raad. En dan toch vasthouden, wat je hebt meegekregen. Dan toch zingen: ‘Het is de HEER die redt’. Is dát geen wonder? Groot wonder. Wonder BOVEN wonder! 
En toch weet ik zeker, dat zulke wonderen nog steeds gebeuren! Ik ken mensen als Jona in de vis. Ondanks hun verdriet, hun pijn, hun wanhoop houden ze vast aan hun geloof. Blijven ze vertrouwen op God. Zingen ze liederen, die ze van vroeger thuis of op school hebben geleerd. Dat komt juist dan naar boven. Als ze in de diepste ellende zitten. Ze zingen: ‘Als g’in nood gezeten, geen uitkomst ziet, wil dan nooit vergeten: God verlaat u niet’. Ja, in de diepste diepte is ‘God bij me’. Hij hoort mijn stem. Hij trekt mij levend uit de dood omhoog. Hij is het die redt. Dwars door de dood neemt Hij mij op in Zijn schoot. Dat noem je geloven in de buik van de vis. Wat een wonder!


Maar het grootste wonder moet ik nog noemen. En dat is, dat het ook werkelijk zo ís. Dat God écht met mij is en bij mij blijft. Dat Hij zeker weten hoort naar mijn stem. Dat de HEER mij werkelijk redt. Want – om eerlijk te zijn – Jona in de vis kan dan (wonderlijk genoeg!) een gelovig mens zijn, nog wonderlijker is Gods liefde voor Jona. Want als je het goed bekijkt, was het Jona’s eigen schuld, dat hij in de vis terecht is gekomen. HIJ was ongehoorzaam geweest. HIJ had niet naar God geluisterd. Hij heeft Gods opdracht om naar Nineve te gaan niet opgevolgd. Hij was de andere kant op gevlucht – weg van Gods aangezicht. Het was Gods volste recht om zich nu van Jona af te keren. Om hem aan zijn lot over te laten. Maar dat doet de HEER niet. God gaat Jona achterna als de goede herder achter het dwalende schaap. Als de Vader van de verloren zoon wacht God op Jona’s terugkeer. God blijft trouw aan zijn ontrouwe dienaar. 
Dat is toch eigenlijk het grootste wonder, dat er in de wereld bestaat. Dat de HERE God de dwalende mens niet aan zijn lot overlaat. Dat Hij de zondige wereld zo lief heeft, dat Hij zijn Zoon zendt. Uit de hoge hemel daalt Hij af naar Nazareth. Om Maria te vertellen dat zij Hem dragen mag: de Zoon van God. De vis: Jezus Christus, Zoon van God, Redder. Die zijn leven voor ons geeft. Uit liefde, uit genade. De poort zwaait open. De weg wordt ontsloten. De muil van de vis spert open. God wil ons redden van de ondergang. Uit de kerker van de dood wil Hij ons bevrijden. 
Dus: kun jij niet geloven dat Jona echt in de walvis zat omdat je er met je verstand niet bij kunt? Mij best. Even goede vrienden! Maar ik hoop wel, dat je blijft geloven in de HEER, die je schuld wil vergeven. Dat je erop blijft vertrouwen dat de HEER je zal redden van de dood. Dat je met Jona, met Maria op de Heiland blijft hopen. Ook, juist, in de buik van de vis. In je bange pijn.