Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE KUDELSTAART


'Onopgeefbaar verbonden'
Kerkdienst 4 februari 2018
Lezingen: Zacharia 8:1-8 en 18-23; Marcus 8:22-26

 

 

"En dit zegt de HEER van de hemelse machten: 

Als die tijd is gekomen, zullen tien mannen uit volken met verschillende talen een Joodse man bij de slip van zijn mantel grijpen met de woorden: 
“Wij willen ons bij u aansluiten, want we hebben gehoord dat God bij u is" (Zacharia 8:23)

 


‘Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet… en het is groen…’ Raden, wat is het? Simpel, maar het kan soms moeilijk zijn. Zodat het wat langer duurt, voor de oplossing is gevonden! Of zelfs, dat het voorwerp helemaal niet geraden wordt. Als dan uiteindelijk het geheim onthuld wordt, roept iedereen verbaasd: ‘Oooh, is dát het! Dat wij daar niet aan hebben gedacht! Dat wij dát over het hoofd hebben gezien!’ Ja, zo kan het gebeuren, dat je oog ergens tien keer over heen gaat en je het toch niet ziet…

Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet… Als het geen spelletje was, zou je dat zinnetje kunnen zetten boven de boodschap van profeten. Een profeet wordt ook wel ‘ziener’ genoemd. Een ‘ziener’ krijgt van Godswege dingen te zien. Een droom. Een visioen. Een toekomstbeeld. Hij ziet dingen, die anderen niet zien. Nog niet zien. Niet meer zien. En hij probeert mensen te laten zien, wat hij ziet: ‘Zie toch, kijk eens, wat IK zie! Zie je het niet? Waarom zie je het dan niet?’. Uiteindelijk is de bedoeling, dat de ogen opengaan en de mensen zien, wat de profeet ziet.

In het evangelie van vanmorgen lezen we, dat Jezus een blinde man geneest. Als de grootste profeet, ja als Zoon van God opent Jezus de ogen van de blinden. Letterlijk, maar ook figuurlijk. Want mensen zijn vaak ziende blind. Jezus wil ook de ogen van díe mensen openen. Hij wil hen Gods Koninkrijk laten zien. Als Hij lichamelijk de letterlijke ogen van een blinde opent, klinkt dát ook altijd mee.

Dat genezen van blinden gaat trouwens niet zó maar even! Niet van ‘hocus pocus pilatus pas, ik wou dat jij weer ziende was’. En: ‘Voilà! Weer iemand genezen! Volgende patiënt!’. Nee, zeker bij blinden komt daar meer aan te pas. Dan lezen we bijvoorbeeld ergens dat Jezus modder op de ogen van de blinde smeert. Die blinde moet zich vervolgens gaan wassen. Of – zoals hier, dat Jezus speeksel op de ogen van de blinde doet, hem de handen oplegt en vraagt: ‘Zie je al iets?’ Dan ziet die blinde niet plotseling alles, maar eerst ziet hij een wazig beeld. ‘Ik zie mensen, het zijn net bomen, maar ze lopen rond’. Pas nadat Jezus hem nóg eens de handen heeft opgelegd, ziet hij alles volkomen helder… Opvallend! Zo’n verhaal! Natuurlijk niet bedoeld als een spannende aflevering van Medisch Centrum West of Vinger aan de Pols. Het vertelt ons, hoe wij vaak blind, slechtziend of bijziend zijn. Met onze oogkleppen voor. Met onze troebele blik. Met onze kortzichtigheid. Dat wij zo vaak finaal over het hoofd zien, wat belangrijk is in het leven. Zulke mensen als wij!. zijn niet zó maar te genezen. Misschien dat heel langzaam onze ogen opengaan. Zodat we eerst een beetje wazig in het rond kijken.

‘Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet’. Ja, als het geen spelletje was! Dan zou Zacharia ons vanmorgen de ogen willen openen. Zacharia is een profeet. Minder bekend dan Elia, Jeremia en Jesaja. Ook niet echt helemaal, wat wij van een profeet verwachten! Een profeet heeft vaak een sombere, donkere, dreigende boodschap. Een onheilsprofeet. Hij roept dat het verkeerd gaat, als wij ons niet bekeren. Profeten kondigen de ondergang aan. Zoals Jeremia de Babylonische ballingschap aankondigt. En die kwam in het jaar 587 voor Christus. Wel, Zacharia profeteert zo’n 70 jaar later – rond het jaar 520. Net ná die Babylonische ballingschap. Dan is er veel veranderd. Een grote groep ballingen is teruggekeerd uit Babel. Er is nieuwe vrijheid. Nieuwe kansen. Een nieuw begin in een vrij land. De wederopbouw is begonnen. Zacharia ziet dan, wat anderen nog niet zien! Hij ziet hoe het zal worden! Hij ziet het plein van de stad Jeruzalem. Hetzelfde plein, waarop 70 jaar geleden de deportaties zijn begonnen. Waar stoere sterke jonge mannen stonden – gebonden, geslagen, vernederd. In afwachting van hun deportatie, achter de kamelen van de slavendrijvers aan. Weggevoerd naar Babel! Toen ze weg waren, kwamen de oude mensen naar buiten om hun verdriet met elkaar te delen. Het plein was vervuld van weeklacht en rouw. En kinderen? Nee, die zag je niet op het plein. Kinderen zaten stilletjes binnen – verweesd en verlaten. Zonder vader, zonder moeder. Getraumatiseerd. Aan hun lot overgelaten… Geen zin om te spelen…

Maar Zacharia ziet zeventig jaar later iets anders! Hij ziet in zijn dagen een nieuwe stad werkelijkheid worden. Hij ziet dat zelfde Jeruzalemse plein – maar oude mannen en vrouwen zitten gemoedelijk in het zonnetje. De één trekt aan zijn pijpje. De ander doet een boodschapje met de rollator – of wat ze toen ook hadden… Vier dames hebben een tafeltje buiten gezet en spelen een spelletje rummikub. Vrolijk wisselen ze de laatste roddels en praatjes uit en appen met hun kleinkinderen.

Ondertussen komen de kinderen uit school. Ze schoppen tegen een balletje, spelen verstoppertje of buskruit… ‘Hé, wat doen jullie eigenlijk? Dat deden wij vroeger niet!’

Zacharia ziet nog meer… Hij ziet een prachtig korenveld – rijp voor de oogst. Hij ziet een wijngaard – met volle druiventrossen. En er komen geen vijandelijke bendes om alles in te pikken. Hij ziet een samenleving, waarin mensen oprecht en rechtvaardig met elkaar omgaan. Waar mensen de vrede nastreven. Waar men eerlijk handel drijft.

Zacharia laat het ons zien. Maar kunnen wij onze ogen geloven?

Nou ja, soms lijkt het erop! In onze westerse welvarende samenleving. Als wij er tenminste met zijn allen voor zorgen, dat de voorzieningen voor ouderen en minderbedeelden op peil blijven. De AOW, WAO en WW. De thuiszorg, mantelzorg en verpleeghuiszorg. Dan zijn onze ouderen nét zo gelukkig als Zacharia ze ziet zitten op dat plein in Jeruzalem.

Als wij er voor zorgen, dat kinderen in onze samenleving de aandacht krijgen die ze nodig hebben. Dat ze inderdaad letterlijk en figuurlijk speelruimte zullen hebben… Dat we ze uit de put helpen als het nodig is. Met onze jeugdzorg, pleegzorg en kinderbescherming. Dan zien wij bij ons een beetje, wat Zacharia ons voor ogen schildert.

Wat Zacharia ziet is een ideale maatschappij, een stukje paradijs op aarde, een klein beetje Koninkrijk van God. Zien wij dat zitten? Misschien wordt onze blik meteen vertroebeld als we horen over welke stad Zacharia het heeft. Hij spreekt over Jeruzalem. Misschien zien we het niet meer zo scherp voor ogen, als we beseffen over welk volk hij het heeft: het Joodse volk. Misschien worden we wel helemaal verblind, als we het woord “Israël” horen. Want dan denken we vandaag helaas in de eerste plaats toch aan de problemen met de Palestijnen. Hoe Israël - in onze ogen – de Palestijnse broeders en zusters onderdrukt. Of we zien op televisie dat er weer een aanslag is in Jeruzalem door een Palestijnse terrorist. We zien de haat, de nijd de ogenschijnlijk onoverbrugbare tegenstellingen in Israël.

Dus zien we even geen keuvelende ouderen op de pleinen van Jeruzalem. En we hebben even geen oog voor de Joodse kinderen die in de straten van Jeruzalem met elkaar een balletje trappen.    

Maar het wordt zelfs nóg sterker! Zacharia ziet een joodse man, die op weg is naar Jeruzalem. Het is een vrijgelaten balling, die terugkeert uit Babel. Maar het kan ook één van die vele Joden zijn, die in de voorbije eeuwen naar hun eigen land zijn getrokken. Na bijna 1900 jaar, in 1948, dit jaar zeventig jaar geleden, eindelijk terug naar een eigen staat. Eindelijk weer toegang tot hun eigen stad Jeruzalem – stad van God. Een Joodse man maakt ‘aliyah’ op weg naar huis, zoals dat heet. Hij gaat weer wonen in zijn eigen land, in Israël. Maar wat Zacharia dan ziet! Je zult je ogen niet geloven. Hij ziet dat tien niet-Joodse mannen die ene Joodse man vastgrijpen. Nee, nu niet om hem gevangen te nemen. Niet om hem af te voeren naar Auschwitz. Niet om hem van het leven te beroven… Tien mannen grijpen één Joodse man vast – in hartstochtelijk verlangen om zich bij hem aan te sluiten! Ze willen met hem mee naar Jeruzalem! Ze willen zich – alle tien – ‘onopgeefbaar verbinden’ met Isräel. Tien mannen zijn volgens het Joodse geloof nodig om een viering te kunnen houden. Een eredienst in de synagoge kan doorgaan, als er tien mannen aanwezig zijn. Die tien heidense mannen willen dus mét die ene Jood de HEER gaan vereren. Samen één gemeente, één volk vormen. Dus grijpen ze hem vast bij de slip van zijn mantel.

Aan de slip van de mantel, op de vier hoeken van het Joods gebedskleed, zitten de schouwdraden. Kleine touwtjes, die op een bepaalde manier vastgeknoopt zijn. Een herinnering aan het houden van de tien en verder van alle andere 613 geboden, die de Thora voorschrijft. Als die tien mannen de slip van de mantel vastgrijpen, willen ze dus ook zeggen: ‘Wij willen zoals jij de geboden van de HEER gehoorzaam zijn. Wij willen handelen naar de wetten van God. Wij willen Gods regels invoeren – overal op aarde! Wij willen bouwen aan een wereld, die vol zal zijn van vrede en recht. We weten, dat wij, heidenen, dat bij jou, Jood, kunnen leren… Die tien geboden bijvoorbeeld: als iedereen zich daar nu eens aan ging houden! Dan zou er in deze wereld geen moord en doodslag, geen honger en geen armoede meer zijn. Daarom willen we met JOU mee, Joodse man, want in Jeruzalem woont jouw God, Die God moet ook onze God worden’.

Tsjonge, jonge: wát een visioen! Zacharia ziet er iets van gebeuren. In ZIJN tijd – vlak na de Babylonische ballingschap. Heel even ziet hij het voor zich op de pleinen van Jeruzalem. Maar zien wij het al gebeuren? Nu en hier op aarde? Dat de verenigde natiën optrekken naar Jeruzalem. Niet om ‘die Joden een lesje te leren’. Maar juist om van de Joden Gods lesje te leren.

Ik zie, ik zie… één Joodse man. Zijn naam is Jezus van Nazareth. Opgegroeid en opgevoed met alle 613 geboden van de Thora. Niet gekomen om er ook maar één tittel of jota bij te voegen of vanaf te doen. Gekomen om wet en profeten te vervullen. Zoals HIJ geleefd heeft en vooral ook, zoals HIJ gestorven is, opent Hij ons de ogen. Onschuldig gestorven om schuldenaars te vergeven. Opgestaan om eeuwig te leven te schenken. Deze Joodse man maakt blinden ziende. Hij laat ons zien, wat eenmaal komen gaat. Hij opent onze ogen voor wat God bedoelt. Hij verandert onze sombere kijk op het wereldgebeuren in een hoopvolle blik naar boven. Hij wekt in ons de verwachting van een nieuwe Jeruzalem, dat eenmaal als een bruid zal neerdalen. Zie je, wat Hij ons laat zien? Misschien is het nog wazig en verwarrend, wat wij zien. Maar eenmaal zal alles glashelder zijn. Geloven gaat over in aanschouwen. Dan knipperen onze ogen tegen het licht van Gods nieuwe dag. We mogen achter Hem aan, opgaan naar de stralende toekomst. In onopgeefbare verbondenheid met Israël.