Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE KUDELSTAART


Vast-en zeker

Oecumenische Kerkdienst 11 februari 2018
Lezingen: Jesaja 58:1-10 en Marcus 1:12-13

Opname van deze kerkdienst: binnenkort beschikbaar

 

“Is dit niet het vasten dat ik verkies: misdadige ketenen losmaken, de banden van het juk ontbinden, de verdrukten bevrijden en ieder juk breken? Is het niet: je brood delen met de hongerige, onderdak bieden aan armen zonder huis, iemand kleden die naakt rondloopt, je bekommeren om je medemensen?’ (Jesaja 58:6-7)

De Olympische winterspelen zijn van start gegaan. De openingsceremonie is gehouden. De eerste wedstrijden zijn verreden. ‘We’ hebben al vier medailles binnen. We gaan er weer goed voor zitten de komende dagen. Genieten van topsport. Genieten van ‘afzien’, kan ik wel zeggen. Ik zal de enige niet zijn die dat zo mooi vindt aan sport: het ‘afzien’. Niets is dramatischer en fascinerender om te zien dan een sporter die met zijn of haar laatste beetje lucht de finish over komt. En dan liefst nog goud wint na een bikkelharde, maar eerlijke wedstrijd. Zo kan ik erg genieten van de biatlon. Dat is een wedstrijd skiën en schieten met een geweer in één. Een loodzware combinatie van concentratie en inspanning. De deelnemers bereiken, zeker na de 20 kilometer totaal afgepeigerd de finish. Ze laten zich helemaal opgebrand op de ijskoude grond vallen. Dat hopen we natuurlijk ook te zien als Annouk de 5 of als Sven de 10 kilometer heeft geschaatst. Dan mogen ze – als ze maar winnen – stik kapot zijn. Dat is ‘afzien’.

‘Afzien’ – zo zou je ook het woord ‘vasten’ kunnen omschrijven. Vasten is afzien. Nu is over vasten tegenwoordig wel het één en ander te doen. Ook in Protestantse kringen. Gek genoeg JUIST in protestantse kringen. In het gesprek dat we hadden met de commissie oecumenische diensten om deze dienst voor te breiden bleek: jullie, onze geliefde katholieke broeders en zusters, hebben niet zo veel meer met vasten. Vasten is er bij de parochie een beetje ‘uit’, terwijl het in veel protestantse gemeenten een beetje ‘in’ komt. Een BEETJE, zeg ik. Want ik moet de eerste nog tegenkomen die echt rigoureus gaat vasten. Vaak is het toch vasten ‘light’. Ik hoor en lees bijvoorbeeld van mensen die van plan zijn in de komende veertig dagen geen alcohol te gaan drinken. Of 40 dagen een ‘social media stop’ in te bouwen. Of in deze lijdenstijd geen koekje bij de koffie of chocolaatje bij de thee te nemen. Misschien een beetje minder vlees eten. Daar is allemaal niks mis mee. Integendeel. Maar ECHT vasten, alleen op water en brood, dat tref je niet zo veel meer aan. Echt ‘afzien’ is nog wel even wat anders. Dan zou je het voorbeeld van Jezus moeten volgen. In het evangelie lezen we dat Hij veertig dagen in de wildernis tussen de wilde dieren verblijft. Zonder eten, 6 weken lang, in de woestijn. Dat is pas ‘afzien’. Je kunt je afvragen: waarom doet Jezus dat? Dat hoorden we in het verhaaltje van de monnik en de waterput. Als je jezelf in de spiegel van het water onder in de waterput wilt bekijken, moet dat water eerst tot stilstand komen. Daar heb je tijd voor nodig. Tijd om alles op een rijtje te zetten. Tijd voor bezinning, concentratie, discipline. Voor Jezus is het de tijd waarin Hij tot Zichzelf komt. Maar ook de tijd dat Hij de Boze tegenkomt. Hij leert niet alleen Zichzelf kennen, maar moet strijd voeren tegen de verleiding. De duivel die Hem probeert van Zijn opdracht af te helpen. Die Hem de weg van de minste weerstand wil laten gaan. De weg van eigenbelang bij God vandaan. Die strijd voert Jezus – veertig dagen lang. Dat is afzien. Zulk vasten is afzien. Als we echt willen vasten, is dat de ‘topsport’. 
Maar wordt dat van ons verlangd?

Vasten speelt in heel veel religies een rol. In de Islam bijvoorbeeld. In de vastenmaand ramadan mag een moslim tussen zonsopgang en zonsondergang niet eten of drinken. Dat kan knap zwaar zijn – zeker als de ramadan in een hete zomermaand valt. Ook in andere godsdiensten speelt vasten een rol. Vaak voor speciale mensen. Door vasten willen ze op een hoger level komen. Dichterbij zichzelf of dichterbij God. Dichterbij de ‘verlichting’. 
In de Bijbel vinden we geen gebod ‘Gij zult vasten’. De enige keer dat vasten wordt voorgeschreven is bij de grote verzoendag. De dag dat het Joodse volk gedenkt dat de HEER de zonde wil vergeven. Dat is een dag van schuldbelijdenis en verootmoediging. Om dat te tonen, om jezelf ‘klein’ te maken, jezelf te verootmoedigen, kun je vasten. Wat dat vasten precies inhoudt, wordt er niet bij verteld. Dat mag je blijkbaar zelf invullen. Verder lezen we in de Bijbel dat mensen incidenteel vasten. Als grote rampen het volk treffen roept de koning een vasten uit. Zoals de koning van Ninevé, als Jona zijn onheilsboodschap brengt. Dan moet de hele stad zich drie dagen lang onthouden van voedsel. Zelfs de dieren moeten mee doen. Zo laten de Ninevieten zien dat ze echt berouw hebben. 
Vasten is ook een manier van concentreren. Zoals de monnik in de waterput kijkt, totdat hij zichzelf ziet. Vasten is aandachtig in de spiegel kijken. Jezelf eerlijk in de ogen kijken. Daardoor schoon schip maken om opnieuw te beginnen.
In de tijd van Jesaja willen de mensen ook vasten. Het gedeelte dat we hebben gelezen - Jesaja 58 - speelt zich af in de tijd na de Babylonische ballingschap. Joden zijn uit Babel teruggekeerd naar hun land Israël en hun stad Jeruzalem. Ze zijn vrij en genieten de eerste tijd van die vrijheid. Ze zetten samen hun schouders onder het werk van de wederopbouw. Maar het zit tegen. De bouw van de nieuwe stad Jeruzalem schiet niet op. Vijandige woestijnvolken vallen telkens het land binnen en roven de oogst. Bovendien blijkt vrijheid een prijs te hebben. Aan de verre machthebbers in Perzië moeten hoge belastingen betaald worden. Kortom: de druk zit op de ketel. En als de druk op de ketel zit, ben je op jezelf aangewezen. Je trekt je terug op je eigen eilandje. Je laat de boel de boel en denkt op een gegeven moment alleen nog aan jezelf. Tegenslagen maken een mens niet beter. Economische problemen brengen vaak verharding in een samenleving. Dan wordt het ieder voor zich. Honger en dorst laten een mens noodgedwongen zelfzuchtig worden. Je moet je zien te redden. Je moet voor jezelf gaan, als een ander het niet doet.
In deze toestand roepen de bewoners van Jeruzalem een vasten uit. Ze strooien as op hun hoofd en trekken een rouwkleed aan. Ze onthouden zich van voedsel. Ze verootmoedigen zich voor God. Het is afzien met maar één doel: de HEER moet luisteren! Hij moet zich hun lot aantrekken en ingrijpen. Ze willen – al vastend – de hemel open bidden. Maar het helpt niet. De hemel gaat niet open.
‘Geen wonder’, roept de profeet namens God, ‘want de hemel moet niet open. JULLIE moeten open. Jullie ogen, jullie handen, jullie harten moeten open. Voor elkaar en naar elkaar. Je kunt wel vroom je handen vouwen, maar ze moeten uit de mouwen. Je kunt wel devoot je ogen sluiten, maar je moet de nood van je medemens zien. Je hart moet niet op slot; het moet wijd open. Je kunt dus wel een dag afzien van eten en drinken, maar je kunt beter afzien van jezelf. DAT is pas écht vasten. Als je rijkdom deelt. Als je vrijheid deelt. Als je leefruimte deelt. Als je iets van jezelf afstaat aan een ander. Zorg er voor dat ieder mens in zijn eerste levensbehoeften kan voorzien. Voedsel, onderdak en kleding. Dus: deel je brood met de hongerige, bied onderdak aan armen zonder huis. Kleed iemand die naakt rondloopt. Bekommer je om je medemens. Dat betekent voor jezelf: afzien. Je moet een stukje van jezelf afstaan. Ga er maar aanstaan in onze eigen samenleving en ook wereldwijd. 

Vasten doe je bij voorkeur met hoofd en hart en handen. Niet voor een tijdje, maar altijd. Vasten als levenshouding. Houd je hoofd erbij. Laat je hart spreken. Steek je handen uit de mouwen. Vasten wordt dan vastenactie. Zo collecteren we straks voor de zusters in Zambia. Ze geven zichzelf voor de kinderen van Afrika. Over afzien gesproken! Ook wij kunnen een steentje bijdragen. Voor ons kun je dat nauwelijks ‘afzien’ noemen. Maar het resultaat mag er zijn. Eén kind gelukkig maken is minstens even mooi als een gouden medaille winnen.