Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE KUDELSTAART


 

Zegen mij...
Kerkdienst op oudejaarsavond 31 december 2017 te Kudelstaart

Geluidsopname beluisteren? Binnenkort hier!

Schriftlezingen: Genesis 32:10-13 en 23-32; Romeinen 8:31-39

"Ik laat U niet gaan tenzij U mij zegent” (Genesis 32:27b)

 

 Een jaarwisseling heeft veel weg van een grensovergang. Van oud naar nieuw ga je een grens over. Je passeert straks om 24.00 uur een tijdsgrens. Je begint dan weer op 0.00 uur in een nieuw jaar. Net als bij een echte grensovergang laat je iets achter. Een land, dat we aanduiden met een getal: 2017. Het is intussen een oud en vertrouwd land geworden. Straks moet je weer even wennen om ‘2018’ te zeggen of te schrijven. 2017 ligt dan definitief achter ons. Voor de één was 2017 te vergelijken met een heerlijk vakantieland, waar je met genoegen aan terugdenkt. Een luilekkerland misschien wel, dat je helaas achter je moet laten. Voor de ander was het een verschrikkelijk onherbergzaam gebied. Je bent blij dat je er weg kunt. Voor de meesten van ons zal 2017 gemengde gevoelens oproepen. Er waren mooie, fijne plekjes, waar je met plezier aan terugdenkt. Er waren ook meer of minder pijnlijke plekken, waar je liever niet geweest was. Hoe dan ook: het is voorgoed voorbij. De slagboom van het nieuwe jaar gaat straks met spetterend vuurwerk en knallende kurken omhoog. Welkom in 2018! Een nieuw land ligt op je te wachten.

Dat nieuwe land is wel terra incognita. Het is het ‘onbekende land’. Niemand weet hoe het er uit zal zien. Een grensoverschrijding maak je dus niet ‘zo maar’. Als je op vakantie of op zakenreis gaat naar een ander land moet je bepaalde handelingen verrichten. Je moet je paspoort meenemen en bij de douane laten zien. Bij de grens word je misschien gefouilleerd of ondervraagd: Wat kom je hier doen? Ook wil je een beetje weten wat je te wachten staat. Ben je wel welkom? Is er een plekje voor jou om te eten en te slapen? Welke risico’s loop je? Moet je je misschien inenten om bepaalde ziektes te voorkomen? Bij de grensoverschrijding van 2017 naar 2018 is dat uitermate lastig in te schatten. Niets is zo moeilijk te voorspellen en voor te stellen als het land van de toekomst. Wat zal het nieuwe land je brengen? Elke grensovergang levert een bepaalde spanning op. Wat zal het worden? Hoe zal het gaan?

In de schriftlezing van vanavond staat Jakob op het punt een grens te overschrijden. De Jabbok is de grensrivier die hij gaat oversteken. Hij stroomt in het huidige Jordanië tussen de bergen van Ammon in het Noorden en de bergen van Moab en Edom in het zuiden. Het is een natuurlijke barrière, zoals er zoveel zijn op de wereld. Je moet er letterlijk overheen, omheen of doorheen. Je moet weten waar je het beste over kunt steken. Op veel plaatsen stort de rivier zich door een onbegaanbaar ravijn. Een doorwaadbare plaats in de rivier heb je nodig. Zeker als je zoals Jakob een heel leger aan gezinsleden, personeelsleden en vee met je meevoert.

Maar het grootste probleem is dat Jakob een vijandig gebied gaat betreden. Het is het land waar zijn broer Esau woont. Hij hoeft niet te verwachten dat die broer hem met open armen op zal wachten. Jakob heeft ooit zijn broer bedrogen. Hij heeft zich de zegen van vader Izaäk op slinkse wijze toegeëigend. Hij heeft daarmee zijn naam waar gemaakt: Jakob, bedrieger. Lang geleden heeft hij moeten vluchten voor de wraak van zijn broer. Dus ziet hij nu als een berg op tegen de terugkeer naar het land. Maar er is nog een diepere oorzaak van de spanning. Hij moet niet alleen zijn kwade broer onder ogen komen. Hij moet ook zijn God onder ogen komen.

Twintig jaar heeft Jakob gewoond in het land dat hij nu achter zich laat. Dat was het land van Laban, zijn oom. In DAT land is het Jakob zeer voor de wind gegaan. Toen hij er twintig jaar geleden heen trok had hij niets bij zich dan de kleren aan zijn lijf en de stok in zijn hand. Berooid van alles en moederziel alleen is hij naar Laban getrokken. Als een vluchteling, een asielzoeker. Maar moet je nu eens kijken, hoe Jakob terugkeert! Schapen, geiten, runderen, kamelen in overvloed. In twintig jaar tijd heeft hij voor zichzelf een enorme veestapel opgebouwd. En wat nog belangrijker is: Hij heeft twee vrouwen en een grote kinderschaar. Hij heeft – kortom – zijn schaapjes wel op het droge. Het oude land heeft van hem een welvarend man gemaakt. Wat wil een mens nog meer? ‘Jakob is rijk gezegend’, zeggen de mensen. Nou ja, toch is er iets dat ontbreekt. Jakob mag dan een gezegend mens genoemd worden, maar er ontbreekt iets aan die zegen.

Dat blijkt bij de grens. Bij de rivier de Jabbok. De grensoverschrijding vindt plaats bij nacht. Dat doe je normaal al niet. Dat tekent de angst. Bescherm door nachtelijk duister kan de vijand jou niet zien. Jakob zorgt ervoor dat zijn veestapel, zijn vrouwen en kinderen veilig de rivier oversteken. Dan blijft hij alleen achter in het ‘oude land’. Eenzaam in de nachtelijke stilte. Met alleen de kleren om zijn lijf en de stok in zijn hand. Waarom hij dat doet kun je wel raden. Voordat Jakob lichamelijk de grens overgaat wil hij zich er geestelijk op voorbereiden. Ik vermoed dat hij dan, zo alleen met zichzelf, dat doet, wat wij op oudejaarsavond ook doen. Terugkijken. Het afgelopen jaar, de afgelopen periode overdenken. Ik denk, het kan niet anders, dat Jakob op dat moment in de nacht terug heeft gedacht aan 20 jaar geleden: de eerste nacht van zijn vlucht. Toen hij – niet zo ver van hier – in Bethel was. Toen ook: Alleen. Met de kleren aan zijn lijf en zijn stok in de hand. Hij vond toen een slaapplek in de open lucht. Onder de sterrenhemel lag er een steen voor hem klaar die diende als hoofdkussen. Een harde steen, maar het leverde hem een zoete droom op. Hij droomde toen dat de hemel openging. Hij zag een trap van boven naar beneden. Er daalden engelen af en ze stegen weer omhoog. En God sprak tot Jakob van boven aan de ladder. De HEER gaf Jakob bemoedigende woorden mee. Gesterkt door die woorden is Jakob op weg gegaan.

Zoals ook wij vorig jaar op weg zijn gegaan. Vol goede moed. Met de bemoedigende woorden van God Zelf in onze oren. Zegenende woorden: de HEER zal je zegenen en behoeden… ‘Ga met God en Hij zal met je zijn’. En we zijn gegaan. Telkens weer klonken onderweg die woorden opnieuw. Hier in de kerk vooral. We zijn door 2017 getrokken met Gods zegen op zak. Elke zondag en alle feestdagen werden we er weer op uit gestuurd. Bemoedigd met Gods belofte: ‘Ik ben met je, alle dagen’.

Maar soms ben je dat kwijt. Soms weet je ineens niet meer of het allemaal wel waar is. De omstandigheden van het harde leven doen je twijfelen aan alles – dus ook aan God. Is Hij er echt wel? Gaat Hij wel met me mee? Staat Hij wel aan mijn zij in ’t wisselend lot? Is er wel een open hemel en een trap van boven naar beneden? Zijn er wel engelen om me heen? Of maak ik me vrome illusies? Zuig ik het uit mijn duim? Maak ik me iets wijs dat te mooi is om waar te zijn? Ben ik blij met een dode Jezus?

Dan voelen we iets van de strijd die Jakob in de nachtelijke eenzaamheid voert. Bij de grensrivier Jabbok is er geen mooie droom. Eerder een nachtmerrie. Er doemt een duistere gestalte op die met hem vecht. Wie het is blijft mysterieus. ‘Iemand’ staat er, ‘een ander’. Maar Jakob voelt gaandeweg dat dit niet zo maar ‘iemand’ is. Vooral als hij bij de heup geraakt wordt. Een stekende pijn voelt hij door zich heen gaan. Dit kan niet anders: het moet een engel zijn. Maar dan niet een engel zoals in Bethel. Geen bemoedigende, opbeurende engel als een trouwe metgezel. Maar een engel die je met je neus op de feiten drukt. Een engel die je laat voelen dat je een uiterst kwetsbaar mens bent. Een engel die zoals elke echte engel God vertegenwoordigt. De HEER die zich laat merken, voelen, zien. De HEER die laat ervaren hoe zwak, hoe klein jij bent. Als Jakob merkt dat hij met God te maken heeft, grijpt hij zich met al zijn kracht vast. Hij heeft God in de vingers en wil niet loslaten. Hij bidt, hij schreeuwt om Gods zegen. ‘Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent’. Jakob smeekt om zegen. GODS zegen wel te verstaan. Dat is nog even iets anders dan de zegen van zijn vader Isaäk. DIE zegen heeft hij gekregen en het heeft hem geen windeieren gelegd. Het is hem voor de wind gegaan. Vrouwen, kinderen, vee, spulletjes… Zoals het ons ook misschien wel voor de wind is gegaan. Als we geprofiteerd hebben van de economische opleving in 2017. Of als we misschien veel gelukkige dagen mochten beleven in het afgelopen jaar. Dat is niet niks. Dat is iets om voor te danken. Je mag je gezegend weten zoals Jakob zich gezegend wist. Maar op de grens van het oude en nieuwe land voelt hij zijn kwetsbaarheid. De pijnscheut door zijn heup doet hem beseffen hoe afhankelijk hij is. Hij hangt aan het dunne draadje van Gods zegen. Gods eigen aanwezigheid. Dat de HEER dus Zelf meegaat. Dat Hij voor gaat naar dat onbekende land aan de overkant. Zodat je de HEER kunt volgen, omdat je weg gebaand wordt. Dat is de diepste zegen die je kunt ontvangen. Veel meer waard dan geld en goed. Een rijkdom die alles te boven gaat. Die zegen betekent: genade, vergeving, een schone lei. Je mag opnieuw beginnen. Ook als broer Esau hem zal afwijzen, staat de HEER aan zijn zijde. Ook als alles ons ontvalt in het nieuwe land hebben we God. Dat is genoeg.

De God van Jakob is onze God. De vader van onze HEER Jezus Christus. Hij die zelfs zijn eigen Zoon voor ons gegeven heeft. Hij gaat ons vóór – de grens over. Hij ging ons voor – zelfs door het ravijn van de dood. De doodsgrens over. Naar het land aan de overkant.

Wij gaan op weg naar het nieuwe onbekend land, dat ‘2018’ heet. Wat het ons zal brengen weten we niet. Eén ding is zeker: 2018 zal ons een stap dichterbij brengen. Dichter bij Gods Koninkrijk. Dichterbij het Vaderland. Dichter bij Vader thuis.