|
Herderlijke zorg Preek voor zondag 4 september 2011 Keurhorst, Sinderen Schriftlezingen: Ezechiël 34:8-16 en Matteüs 18:12-20 |
Tekst: Matteüs 18:12-13
‘Wat denken jullie? Als iemand honderd schapen bezit en een daarvan dwaalt
af, zal hij er dan niet negenennegentig in de bergen achterlaten en op weg gaan
om het afgedwaalde dier te zoeken? Als het hem lukt het te vinden, dan zal hij
zich, dat verzeker ik jullie, over dat ene meer verheugen dan over de
negenennegentig die niet afgedwaald waren’.
Van alle beelden, die de Bijbel voor God gebruikt, is het beeld van de herder
misschien wel het meest bekend en geliefd. Ook in onze moderne westerse
wereld,
ja in ons lage kikkerlandje, waar we de herder alleen nog zien op de grote
stille heide, spreekt dat beeld ons aan. We hebben in ons geheugen gegrift een
prachtige afbeelding uit de kinderbijbel van vroeger. We hebben op ons netvlies
een mooie plaat, die ergens in een huiskamer aan de muur hangt: De goede herder
met het schaap in zijn armen kijkt ons vriendelijk aan. Hoog in de ‘top tien’
van kerkelijke gezangen staat al jarenlang Gezang 14 uit ons Liedboek: ‘De Heer
is mijn Herder, ‘k Heb al wat mij lust’. Ja, dat beeld van de herder is
misschien wel zo geliefd, dat we niet eens meer beseffen hoe opmerkelijk het
eigenlijk is. Hoe, wat zal ik zeggen, ‘spectaculair’! Zeker als je het ziet,
zoals Jezus het vanmorgen voor ons tekent. Jezus vertelt niet over een herder,
die op zijn gemakje onder een struikje in het gras ligt. Hij vertelt niet over
een herder, die met een half oog open zijn schapen in de gaten houdt. Hij
vertelt niet over een herder, die zijn kudde naar grazige weiden aan waat’ren
der rust heeft geleid en nu relaxed kan toekijken. Nee, Jezus vertelt over een
herder die tot zijn grote schrik bij het tellen van de schapen tot de conclusie
komt, dat hij er eentje mist. De herder, die 99 van zijn schapen zo goed en zo
kwaad als het gaat achterlaat. De herder, die vervolgens in zijn eentje door de
woeste wildernis gaat zwerven. Met het zweet op zijn voorhoofd, koortsachtig op
zoek naar dat ene, dat afgedwaalde schaap…
En zo is de HEER. Zo is mijn herder… Een God, die zoekt. Een God die mij zoekt,
opzoekt, bezoekt. Een God, die er alle mogelijk moeite voor doet om ons bij zich
te houden. Geen God dus, die er onbewogen bij blijft, als ik mijn eigen dwaalweg
kiezen en de verkeerde kant dreig op te gaan in mijn leven. Een God met passie
voor mensen, Zijn mensen, Zijn schapen – allemaal. Alle honderd – stuk voor
stuk… De groten en de kleinen. De sterken en de zwakken. De minstens allermeest.
Een goede herder met hart voor zijn schapen. Dat is jouw herder, mijn herder, de
HEER is mijn herder…
Maar ho even… Niet te snel enthousiast… gaat het in dit Bijbelgedeelte wel over
die hemelse Herder? Als je goed luistert naar de woorden van het hele
Bijbelgedeelte gaat het in elk geval niet alleen over de HERE God als herder.
Het gaat ook over de mens als herder. We worden uitgenodigd onszelf niet alleen
als schapen te zien. Makke schapen, koppige schapen, dwalende schapen… Wij zijn
ook herders. Wij hebben een herderlijke taak. We maken deel uit van Gods grote
kudde. We zijn verantwoordelijk voor een klein stukje van die kudde. We hebben
de opdracht om voor elkaar te zorgen. Van tijd tot tijd elkanders ‘herder’ te
zijn.
In de profetie van Ezechiël lezen we over herders, die die taak verwaarlozen.
Die herders zijn de leiders van het volk Israël. Maar die herders denken alleen
aan hun eigen belang. Ze buiten de kudde uit om er zelf beter van te worden.
Daardoor raakt de kudde van Israël verstrooid. Schapen dwalen rond over de aarde
– totdat God Zelf de herdersstaf in handen neemt, omdat mensen hun herderlijke
taak verwaarlozen.
Herderlijke zorg. Dat kennen we ook in de kerk. Eén van de belangrijkste
onderdelen van het kerkenwerk is het pastoraat. Dat komt van het Latijnse woord
‘pastor’ – en dat betekent letterlijk: ‘herder’. Een predikant werd vroeger
altijd netjes ‘herder en leraar’ genoemd. Maar de predikant is natuurlijk niet
alleen herder. De kerk is geen eenmanszaak. Ook ouderlingen houden zich bezig
met het pastoraat. En die pet past ons allemaal. Elk gemeentelid is een beetje
herder voor anderen. We zijn hoeder voor onze broeder – en voor onze zuster. Een
kerkelijke gemeenschap is een pastorale gemeenschap, waar we naar elkaar
omkijken. We mogen elkaar leiden, weiden en hoeden. Troosten, bemoedigen en
beschermen. En ik mag toch eigenlijk best wel eens zeggen, dat we daar nog
aardig goed in slagen ook. Dat stille werk in alle eenvoud. Het bloemetje voor
de zieke. Het bezoekje aan een eenzame. Het bemoedigende woordje voor de
bedroefde. Er mankeert waarschijnlijk best het een en ander aan, maar er gebeurt
gelukkig heel wat. Heel wat pastorale arbeid wordt gedaan. Zonder ophef.
Kerkenwerk, maar ook burenhulp of mantelzorg. En zo hoort het ook in een
pastorale gemeenschap.
Het evangelie van Matteüs is oorspronkelijk bedoeld voor de Joodschristelijke
gemeente in het land Israël. Voor een gemeenschap van Joden, die in Jezus als
Messias geloven. Een kleine minderheid te midden van een overgrote Joodse
meerderheid. Terwijl ook de Romeinse overheid een oogje in het zeil houdt. Dan
komt het erop aan, dat je je voorbeeldig gedraagt. Joodse volksgenoten en
Romeinse bezetters houden je in de gaten. Uit oude buiten Bijbelse bronnen is
bekend, dat de christenen juist vanwege hun gedrag in hoog aanzien stonden.
Vooral door hun onderlinge liefde en dienstbetoon aan elkaar. Dan zegt een
Romein: ‘Wat die dwazen geloven is te gek voor woorden. Maar ze hebben wel heel
wat voor elkaar over’. En dan zegt een Joodse dorpsgenoot: ‘Dat Jezus de Messias
is kan ik niet geloven, maar zijn volgelingen maken wel werk van zijn liefde’.
En dan hoop ik, dat jouw buitenkerkelijke buurman ook iets proeft van de liefde
van de HEER.
Het is telkens wel weer de opgave: als je Jezus wil volgen, dan kijk je met zorg
en aandacht om naar je medegelovigen, ja naar je medemensen. In het bijzonder
naar de minsten en de zwaksten. Je geloof moet blijken uit daden van liefde. Als
je werkelijk wilt, dat buitenstaanders je respecteren, dan moet je werk maken
van je geloof. Dat doe je door als herder om te zien naar de zieke, zwakke,
gewonde schapen.
En… doe je dat dan ook door te doen wat die Herder doet, waar Jezus over
vertelt? Hij gaat het verloren schaap achterna. Hij gaat op zoek gaan naar het
afgedwaalde schaap en brengt het terug naar de kudde..
O wee, kijk uit: nu begeven wij ons op spiegelglad ijs! Een dwalend schaap? Een
verloren schaap? Iemand, die van het rechte pad is afgeraakt? Ben ik daarvoor
verantwoordelijk? Moet ik dus bij wijze van spreken de gele kaart trekken bij
een overtreding? Moet ik misschien zelfs wel rood geven als iemand helemaal over
de schreef gaat? Ben ik scheidsrechter? Hoort dat ook bij mijn herderlijke taak?
Als je zo gaat denken kom je toch in de sfeer van de Middeleeuwen? De
verkettering, de schandpaal, de heksenwaag. Als je te ver afdwaalt van de kudde,
wordt de banvloek over je uitgesproken of word je vogelvrij verklaard. Dan mag
je niet meer in de kerk komen of niet meer aangaan aan het Avondmaal. Heel oude
gemeenteleden onder ons herinneren zich misschien nog het zogenaamde
‘zondaarsbankje’. Een verliefd stelletje moest erop plaats nemen, als ze te ver
waren gegaan in de liefde. Moeten we volgens Jezus terug naar die ‘goeie ouwe’
tijd? Dat is toch uit de tijd, zou je zeggen. In onze tijd moet ieder toch
zoveel mogelijk zijn eigen stoepje schoon houden? ‘Hoe ik mijn leven invul, is
mijn pakkie-an. Daar heeft een ander niets mee te maken. Een ander bepaalt mijn
grenzen niet’.
Of is het toch geen overbodige luxe: een kerk die grenzen stelt. Een kerk, die
naast ‘ja’ ook – heel zorgvuldig, maar duidelijk – ‘nee’ weet te zeggen? Een
kerk, die het kwaad niet voort laat woekeren, maar het in de kiem smoort? Had
die hele trieste geschiedenis van seksueel misbruik in de katholieke kerk dan
niet voorkomen kunnen worden? Nu staat de kerk, de christenheid, te schande voor
het oog van de wereld. En terecht! Van volgelingen van Jezus mag je verwachten,
dat ze leven volgens de normen en waarden, die Hij ons geeft. De buitenwereld
moet kunnen merken, dat de liefde van Christus iets voorstelt. Dat alle mooie
woorden omgezet worden in goede daden. Aan de boom ken je de vruchten. Zo blijft
de kerk geloofwaardig.
Direct aansluitend aan de prachtige woorden over de zoekende herder, geeft Jezus
een paar concrete aanwijzingen, hoe je het verloren schaap moet zoeken. Wat je
moet doen als ‘broeders en zusters’, ‘geloofsgenoten’ van het rechte pad dreigen
af te raken. Als ze gaan dwalen. In drie stapjes vertelt Jezus hoe je moet
omgaan met afgedwaalde schapen: Eerst een gesprek onder vier ogen. Als dat niet
helpt neem je één of twee anderen mee. Lukt het dan nog niet om de ‘zondaar’ te
overtuigen, roep dan de gemeentevergadering bij elkaar. Dan kun je tenslotte
samen besluiten om de betreffende persoon te behandelen als ‘een heiden of een
tollenaar’. Dan hoort hij of zij dus niet meer bij de gemeente.
Deze regels zijn wel eens opgevat als de eerste regels voor een kerkelijk
wetboek. Reglement van orde voor de kerkelijke tucht. Maar dat is niet de
bedoeling. Het gaat Jezus nooit om regels voor het wetboek van strafrecht. Het
gaat Jezus om het hart van de zaak. Om ONS hart. Want
‘de kerk’ - dat zijn wij. Dat ben jij. Herder – dat ben jijzelf. Jezus heeft het
erover, wat JIJ moet doen, als JOU wat wordt aangedaan. Hij houdt het heel dicht
bij onszelf. Als iemand JOU iets aandoet. Hoe ga je daarmee om? Hoe ga je daar
pastoraal, herderlijk mee om? Dan gaat het misschien maar om een klein dingetje.
Iemand zegt iets vervelends tegen je, waardoor je je gekwetst voelt. Iemand
neemt je op een vervelende manier in de maling. Het voelt niet lekker. Je slaapt
er slecht van. Je kan die man of vrouw niet zo maar meer onder ogen komen. Er
zit iets tussen jullie. Wat doe je dan? Krop je het misschien op? Laat je maar
over je heen lopen? Probeer je het te bedekken met de mantel der liefde? ‘Dat
niet’, zegt Jezus. Hang je het dan aan de grote klok? Gooi je een balletje op in
het roddelcircuit? Klaag je tegenover iedereen, hoe onrechtvaardig jij behandeld
bent? Ook dat beveelt Jezus niet aan. Jezus kiest – heel simpel - voor de weg
van de communicatie. Stap er op af! Ga het gesprek aan! Eerst onder vier ogen –
een goed gesprek lost vaak al heel wat op. Als dat niet helpt, roep je de hulp
van een ander in. En als laatste middel, roep je de gemeente bij elkaar. Je
stelt dus alles in het werk om het ergste te voorkomen. Zelfs als je die ander
moet beschouwen als een heiden of een tollenaar, blijft de deur nog openstaan.
Zoals Jezus altijd openstond voor iedereen, zelfs voor heiden en voor tollenaar.
Zo probeer je er alles aan te doen om die ander erbij te houden. Waarom? Omdat
die ander, net als jij een schaap is van de HEER. Omdat die ander, die jij
misschien wel kan schieten, ook iemand is, waar de Goede Herder van houdt. Waar
Hij zoveel van houdt, dat Hij Zelf op zoek gaat om het afgedwaalde schaap te
vinden. Omdat de Goede Herder niets liever wil dan hem weer terug te krijgen en
voor Zich te winnen.
Als je zo in Zijn Geest bezig bent, mag je er zeker van zijn, dat je wijsheid
ontvangt om de juiste beslissingen te nemen. Als je zó handelt, mag je weten,
dat Hij bij je is. Dan geldt de belofte van Jezus: ‘Waar twee of drie in Mijn
Naam samen zijn, ben ik in hun midden’.
Want waar liefde woont, daar woont God. En bedenk dan maar, dat jijzelf ook vaak
dwaalt en de weg kwijt raakt. Dat je ook al lang verloren was geweest, als God
niet naar je had omgezien, als de Herder je niet had opgezocht. God dank - Hij
blijft ons zoeken, omdat Hij om ons bewogen is.