'O, my God...'

Preek voor zondag 11 september 2011

Viering van het Heilig Avondmaal, Laurentiuskerk, Varsseveld

 Schriftlezingen: Psalm 130 en Matteüs 18:21-35

 

‘Waar hoorde jij het nieuws op 11 september?’ Dat is één van de vragen, die ik in de afgelopen dagen hoorde stellen. Ga eens tien jaar terug in de tijd, in je herinnering en ga eens na, hoe jij het nieuws hoorde. Het nieuws van de aanslagen op het World Trade Center te New York. Ik weet het nog. Ik kan me nog als de dag van gisteren herinneren, dat ik op die middag van 11 september 2001 een vergadering had in Bredevoort. Ik kan me ook nog heel goed herinneren, dat het prachtig stralend weer was, toen ik weer naar huis fietste. Ik weet dat ik aan het einde van de middag, toen ik thuis gekomen was, de televisie aanzette. Ik weet nog, dat ik mijn ogen niet kon geloven en daarom aan de buis gekluisterd bleef om steeds dezelfde herhalingen te zien. De vliegtuigen, die zich in de Twintowers boren. De brandende wolkenkrabbers. Het als een kaartenhuis ineenzakken van de gebouwen. Steeds meer beelden, van verschillende kanten gezien, doken op. Maar wat me misschien nog wel het meest is bijgebleven, dat is die kreet, die ene kreet. Normaal gesproken niet meer dan een stopwoord. Een gedachtenloos uitgesproken woord. Daarom meestal niet meer dan een bastaardvloed als ‘jeetje’, ‘gossiemijne’… Maar vandaag kwam diezelfde kreet diep uit de ziel en recht uit het hart van Amerika: ‘O my God’.
‘O, mijn God…’ Drie woorden, die voor mij meer dan alle beelden uitdrukken, wat er ook in mijn hart opkwam bij het zien van die verschrikkelijke beelden. Drie woorden, die bij mij vaker opkomen. Als ik hoor van een verschrikkelijk ongeluk, waarbij iemand op tragische wijze om het leven komt. Bij een humanitaire ramp, zoals zich nu voltrekt in de hoorn van Afrika. Of bij de terroristische aanslag op het eiland Uttoya. Ja, misschien komt dat ‘O my God’ wel vooral naar boven, als het leed onverwacht komt. Als het dus inderdaad prachtig weer is en letterlijk geen vuiltje aan de lucht. Dan steekt die mooie blauwe hemel akelig schril af tegen de rookwolken en puinhopen op aarde. Dan kun je geen woord meer uitbrengen – je staat sprakeloos, afgezien dan van dat ene: ‘O my God’.
Kreet uit de afgrond. Kreet uit de diepte. Uit de diepten. Met het woord ‘diepten’ (meervoud) begint Psalm 130. Een Psalm van een mens in het dal, in de put, in een gapend gat. Dat woord ‘diepten’ duidt in de Bijbel inderdaad het ergste aan, wat een mens kan overkomen. Het is de chaos, de ‘woeste leegte’ vóórdat God sprak ‘Er zij licht’. De put, waar jezelf niet uitkomt, omdat de opening zich veel te ver boven je hoofd bevindt. Als je er al uit probeert te klimmen, val je telkens weer naar beneden. De diepte is de diepte van de nacht, waarin geen licht meer schijnt. Waarin je dus niets anders kan doen dan wachten, wachten op de morgen. De morgen, ach wanneer? De diepten – dat is ook het woord, dat de Bijbel gebruikt voor het dodenrijk – de ‘wateren onder de aarde’, waar je heen afdaalt, als je sterft, maar waar je ook tijdens het volle leven al in terecht kunt komen. Door een ernstige ziekte, domme pech, een luguber ongeval, een depressie die uit de lucht lijkt te komen vallen – zomaar plotseling. Ja vooral op een prachtig zonnige dag, als de wereld je toelacht, maar plotseling stap je in de valkuil en donder je naar beneden de diepte in. En ik hoop maar, dat je niet al te goed begrijpt, wat ik bedoel. Dat je die diepste diepte toch nooit echt hebt meegemaakt in je leven.
De diepste diepte: dat is naar het besef van de gelovige ook – de plek waar God ver te zoeken is. Waar je God niet meer kunt vinden. Waar God zich in woede van je heeft afgekeerd. En je het gevoel hebt: het is nog terecht ook. Ik heb nergens recht op. Ik ben niet beter dan een ander. Niet beter dan de slachtoffers. Niet beter dan de daders. Waar je de vraag ‘waarom moet mij dit overkomen’ niet meer stelt. Want waarom zou JIJ niet, en HIJ of ZIJ wel… Dus al sta je dan voor een raam en je ziet van achter dik glas gebeuren, wat er gebeurt, je voelt: het is ook mijn probleem, mijn diepte, mijn schuld.
Als je Psalm 130 leest, kun je er niet achterkomen in welke diepten de dichter zich precies bevindt.
Ja, het is een pelgrimslied, een lied van de opgang, een lied dus dat de Joden zongen en zingen, als ze opgaan naar Jeruzalem. Misschien dus wel als ze letterlijk op het diepste plaatsje van de aardbodem staan: in Jericho, aan het uiterste puntje van de vallei, waar de rivier Jordaan uiteindelijk uitstroomt in de Dode Zee… Als je daar staat, is het nog een kleine 30 kilometer naar Jeruzalem. Niet vreselijk ver, maar wel omhoog. Meer dan duizend meter klimmen uit de diepte tegen de berg op. OP naar Jeruzalem. Daar woont God in zijn heilige tempel. Maar wie is de mens, die op mag gaan? Als je zo uit de diepte van de Dode Zee op weg gaat naar de tempel van de levende God op de berg Sion, sta je even stil en je roept het uit: ‘O my God’. Waar bent U? En wie ben ik? Ik, klein en kwetsbaar, maar ook zo feilbaar, schuldig, zondig mens. Ik, die in zoveel dingen tekort schiet. Die niet kan bestaan, als het van U niet mag. Als U me het licht in de ogen niet gunt, ben ik nergens. Dan blijf ik in de diepte, ver van U. Mag ik – alstublieft - rekenen op Uw vergeving? Wilt U mij een ladder toewerpen, zodat ik uit de put kan klimmen? Wilt U het licht laten worden en voor mij een nieuwe morgen laten aanbreken? De morgen van vergeving – met licht van genade? O, mijn God…
Sinds 11 september zijn die woorden al weer duizenden keren uitgesproken. Even gedachteloos als tevoren. De God, die we toen zo verschrikkelijk misten, is weer een stopwoordje geworden. Want er brak inderdaad weer een nieuwe dag aan na die zwarte nacht. Amerika klom uit de put, uit de chaos, uit de diepten… Wallstreet is weer volop in bedrijf. Op Ground Zero kun je even stil staan. Een moment van meeleven. Even beseffen, hoe bijzonder het eigenlijk is, dat JIJ er nog bent. Dat JIJ niet bedolven bent onder het puin. Dat jij vrij en vrolijk mag adem halen. Dat je mag leven.
Heb je God dan nog nodig dan alleen voor een vluchtig ‘dank U wel’?
Psalm 130 zegt, dat God ons niet voor niets genadig is. Dat Hij ons met een bedoeling redt uit de diepten. Dat Hij ons een nieuwe morgen schenkt, omdat Hij iets met ons voorheeft. ‘Bij U is vergeving, opdat men u eert met ontzag’, zo staat er. God schenkt ons het leven, opdat wij Hem zouden ‘vrezen’, staat er in oudere vertalingen. Met het misverstand, dat wij er bang van zouden worden. Maar dat is niet de bedoeling. Hoe zou je ook bang zijn van een genadig, liefdevol God? Het is de bedoeling dat wij Hem respecteren. En dat wil altijd zeggen: dat wij zouden leven in het spoor, dat Hij voor ons heeft uitgezet – het spoor van de liefde, het spoor ook van vergeving tegenover onze medemens. Want het is een akelig misverstand, dat wij in onze wereld respect kunnen afdwingen met geweld. Dat strenger en ongenadiger straffen een betere wereld zou opleveren. Wat dat betreft heeft 11 september de wereld helaas niet mooier gemaakt. God schenkt vergeving van onze schuld, opdat wij elkaar zouden vergeven. Zoals Jezus het ons vertelt in de gelijkenis. Vergeven is dan geen achteloos ‘zand erover’ of ‘door de vingers zien’.
Het is het diepe besef, dat jij zelf vergeving hebt ontvangen.
Dat God jouw schietgebedje heeft gehoord.
Dat je uit de diepten bent gered door het kostbaar lichaam en het dierbaar bloed van onze HEER Jezus Christus.
Dat je dus niet zonder Zijn brood en wijn kunt leven.
Dat je mág leven. Zelfs door de dood heen.

 

terug naar beginpagina