|
'Meesterschap in crisis' Toespraak voor zondag 9 oktober 2011 Voor Christengemeente De Wingerd, Borchuus Varsseveld Schriftlezing: 2 Korintiërs 12:1-10 |
Er zijn
dingen in het leven, waar je liever niet over spreekt.
Pijnlijke gebeurtenissen, crisismomenten, leg je niet zo maar even op tafel.
Zeker niet bij jan en alleman. Als je het erover hebt, raak je geëmotioneerd. Je
bent bang, dat de waterlanders komen. Je praat er dus alleen over als je je op
je gemak voelt, bij een goede vriend of vriendin, waar je je hart kunt luchten.
Zo is het bijvoorbeeld voor veel mannen, die in het leger hebben gevochten, erg
moeilijk om daarover te praten (Op de Grebbeberg, in Nederlands-Indië; voor de
VN in Bosnië of Uruzgan) dan heb je dingen meegemaakt, die je diep raken. Je
kunt ze daarom moeilijk kwijt aan een ander – behalve bij mensen, die hetzelfde
hebben meegemaakt.
Maar ook als je iets uitzonderlijks, iets wonderlijks, iets opzienbarends
beleeft, loop je daar niet mee te koop. Sommige fantastische dingen, die je hebt
meegemaakt, zijn moeilijk uit te leggen.
Dat is bijvoorbeeld bekend van mensen die een ‘bijnadoodervaring’ hebben gehad.
Daar praten ze niet makkelijk over. Je bent aan het randje van het leven geweest
en hebt het licht gezien. Het was een onvergetelijke ervaring. Maar je komt daar
niet zo maar mee voor de dag. Je bent bang, dat anderen het belachelijk vinden.
Je wilt aan de andere kant ook niet als een opschepper door het leven gaan. Je
wilt jezelf niet op de borst kloppen of beter voordoen dan je bent. Je wilt niet
‘roemen’ of ‘hoog van jezelf opgeven’.
Ook Paulus heeft dingen, waar hij niet makkelijk over spreekt. Hij schrijft in
zijn tweede brief aan de Korintiërs over twee belevenissen, waar hij liever niet
over had geschreven. Eerst heeft
hij
het over een onbeschrijfelijk wonderlijke gebeurtenis. Vervolgens over een
uitermate pijnlijke belevenis. Een hoogtepunt en een dieptepunt. Een topervaring
en een crisis. Hij wíl er niet mee te koop lopen. Hij wíl anderen niet belasten
met zijn moeilijke noch vermoeien met zijn mooie verhalen. Toch schrijft hij
erover. Waarom? Omdat hij ertoe wordt gedwongen. Er zijn namelijk mensen in de
christelijke gemeente van Korinthe binnengeslopen, die het gezag van Paulus en
dus van het evangelie in twijfel trekken. ‘Ach, wie is nu helemaal Paulus?!’,
zeggen ze. ‘Een nepapostel! Niet eens één van de twaalf discipelen van Jezus! En
dat noemt zich ‘apostel’?! Dát kan iedereen wel zeggen! Nee, als je echt apostel
bent, dan moet je iets heel bijzonders kunnen vertellen. Dan moet je het licht
hebben gezien. Je moet de hemel hebben zien opengaan. Je moet de stem van God
gehoord hebben, die JOU riep… Maar dat heeft die Paulus toch niet? Laat Paulus
nu eerst maar eens zijn visitekaartje laten zien! Zijn goddelijk
legitimatiebewijs tonen!’
Zo voelt Paulus zich voor het blok gezet. Hij voelt zich gedwongen om voor de
dag te komen met die twee zeer persoonlijke, en dus o zo kwetsbare herinneringen
uit zijn leven. Hij wil niet zo dwaas zijn om ermee te koop te lopen. Maar ze
provoceren hem! Ze dagen hem uit om het te doen! Nou, vooruit dan maar…
Eerst vertelt hij over een prachtig visioen, dat hij ooit gehad heeft. Hij werd
tot in de derde hemel weggevoerd. De ‘derde hemel’ – dat vraagt enige uitleg.
Het woord ‘hemel’ is in het Hebreeuws een meervoud: Sjamajim’. Volgens de Joodse
traditie waren er dus niet één maar meerdere hemelen. Zeven om precies te zijn.
De ‘zevende hemel’ is de hoogste van de hemelen. Daar woont God. Via die ander
hemelen klim je daarheen op – als de trappen van een hemelse tempel. En Paulus
was dus ooit in de derde hemel geweest – Dat is al aardig hoog voor een
sterveling. Paulus mocht voor even een blik werpen in het paradijs. Hij hoorde
daar woorden die door geen mens mogen worden uitgesproken… Maar – zegt hij er
direct bij: ‘Ik kan dat echt niet op mijn CV zetten, als een aanbeveling of
legitimatie. Het is geen getuigenis van MIJN goed gedrag. Het werd mij als een
geschenk gegeven. Ik was slechts toeschouwer van een hemels schouwspel. Ik
ervaar het als een soort film, die voor mij werd afgedraaid. Ik stond erbij en
ik keek ernaar’. Hij beschrijft dit visioen dan ook in de derde persoon
enkelvoud. Hij heeft het over een zekere volgeling van Christus…. ‘Bovendien:
het is al veertien jaar geleden’, voegt hij eraan toe. Hij staat dus liever
nuchter, met beide benen op de grond…
En dat laatste is nu precies wat Paulus geleerd heeft in de crisis. Want crisis
is het - die tweede persoonlijke ervaring, die hij – noodgedwongen – aan het
papier van zijn brief toevertrouwt. Een ervaring, die hem uit de zwevende hemel
terugbracht in de harde aardse werkelijkheid van elke dag. Een gebeurtenis, die
hem doet beseffen, dat hij een zwak en kwetsbaar mens is. Afhankelijk,
vergankelijk. Om het met bekende woorden van de profeet Jesaja te zeggen: ‘De
mens is als gras, bloeiend als een veldbloem. Het gras verdort, de bloem
verwelkt, als de adem van de HEER erover blaast. Als de verzengende woestijnwind
opsteekt verdort het gras en verwelkt de bloem’. Mooi gezegd, Jesaja! Maar
Paulus heeft het aan den lijve ervaren. Sterker nog: het is niet voorbij. Het
gaat niet over. Paulus voelt dagelijks de wind van God over zijn leven waaien.
Hij voelt zich als een blok zilvererts in de smeltoven gegooid. Hij voelt de
verschroeiende hitte. Hoogstpersoonlijk! Paulus schakelt in dit gedeelte over op
de eerste persoon enkelvoud. ‘Er werd mij een doorn in het vlees
gestoken; ik word gekweld door een engel van Satan’.
Cryptische omschrijving van wat niet te zeggen valt. Waar je liever niet over
spreekt, omdat het té emotioneel is. Niet ff een dippie… maar: Crisis als
oordeel. Crisis als pijnlijk scheidingsproces. Crisis als een vurige oven.
Hoe kun je dat onder woorden brengen?
Hoe kun je pijn omschrijven aan iemand, die geen echte pijn kent?
Hoe kun je aan iemand, die gezond is, uitleggen, wat ‘chronisch ziek zijn’
betekent?
Hoe zou iemand kunnen begrijpen, wat het is om gehandicapt te zijn, als hij zelf
al zijn ledematen vrij kan bewegen?
Die ‘doorn in mijn vlees’, waar Paulus over spreekt, is voor Bijbelgeleerden een
dankbare bron van giswerk geworden. Wat bedoelde Paulus? Wat mankeerde Paulus
precies? Letterlijk van top tot teen heeft men vermoedens geuit. Het gaat dan
van langdurige hoofdpijn, migraineaanvallen tot en met een letterlijk steken in
zijn grote teen, waardoor elke stap hem pijn deed. Of was het soms een
spraakgebrek, epilepsie, malaria-aanvallen, die Paulus kwellen? Leed Paulus
misschien aan een oogkwaal, oorontsteking of aan depressies? Je kunt het zo gek
niet bedenken – de ‘geleerden’ hebben van alles bedacht. Maar je komt er niet
achter… en dat kan kloppen. Want Paulus is bewust niet duidelijk. Over zulke
dingen praat je namelijk liever niet. Want dan moet je altijd weer hetzelfde
verhaal vertellen. Of als jij je verhaal hebt verteld, komt de ander er met zijn
eigen verhaal overheen.
‘O, Paulus, heb jij last van je ogen? Nou, de vriend van een broer van mijn
vaders zus heeft daar ook mee te kampen gehad!’
‘O Paulus, lijd jij aan epilepsie? Dat is erg, zeg! Maar weet je dat ík vorige
week een paar nachten niet kon slapen van de hitte en die akelige muggen op mijn
kamer?’
‘O Paulus, ben jij wel eens depressief? Maar beste man, jij hóeft toch niet in
de put te zitten, als je gelooft? Een echte christen is een blije christen.
Jezus maakt alle mensen blij. Dus ook jou! Bid er maar om… Wat? Heb jij er al om
gebeden? Nou, dan heb je dat waarschijnlijk nog niet lang en vurig genoeg
gedaan!? Nou, sterkte ermee!’.
Ja, gebeden… Dát heeft Paulus zeker! Driemaal gebeden. Drie maal? Nou ja, zeg…
Dat klinkt ons inderdaad niet lang en vurig genoeg toe. Wat is nou driemaal?
Bedoelt Paulus misschien driemaal per dag – ‘s morgens, ’s middags, ’s avonds…’?
Of bedoelt hij ‘driemaal is scheepsrecht’?
Ik
moet denken aan die man, die mij eens vertelde, dat zijn vrouw ernstig ziek
werd. ‘De eerste week’, zei hij, ‘baden we samen om genezing. De tweede week om
kracht en moed om het lijden te dragen. De derde week was het gebed: ‘Heer, neem
haar maar op in uw erbarmen’. Zo bidt je driemaal… Je groeit langzaam in je
gebed. Of moet je zeggen: je buigt langzaam in het gebed. Tot de bodem is
bereikt. Tot de hitte zo hoog wordt, dat het zilver uit de erts sijpelt…. Tot je
diep in je hart voelt, dat je gebed voldoende is. Want ook Paulus, die grote
gelovige vrome Paulus, heeft het bidden om genezing gestaakt. Diep overtuigd van
de ongeneselijkheid van zijn kwaal. Die doorn in het vlees zal niet weggenomen
worden. Heeft Paulus er dan vrede mee? Heeft hij ermee ‘leren leven’, zoals dat
heet? Nee, dát kun je zeker niet zeggen! Hij heeft het over een engel van de
satan die hem kwelt. En met de duivel kun je nooit vrede hebben. Daar leer je
nooit mee te leven. Daar blijf je tegen bidden: ‘Verlos ons van de Boze’. Maar
deze doorn in het vlees heeft Paulus leren zien als een werktuig in Gods hand.
Om hem met beide benen stevig op de grond te houden. Sterker nog: op de knieën.
Juist deze kwaal doet hem beseffen, wie hij is. MENS – zwak, kwetsbaar,
afhankelijk. Mens als gras, als een veldbloem. Geheel aangewezen op één ding:
Gods genade. Gods onverdiende mildheid. Dat je er MAG zijn.
Genade, die zichtbaar en tastbaar is in Jezus Christus. Die arm is geworden om
ons rijk te maken. Die om ons heeft geleden en gestorven is om ons het leven te
geven. Genade: dat God zelfs zijn eigen zoon niet gespaard heeft, maar voor ons
allen heeft overgegeven. Genade is, dat Hij met mij wil omgaan. Dat Hij mij wil
helpen en bijstaan. Dat Hij mij zelfs wil gebruiken om nog iets te betekenen
voor mijn medemensen. Dienstbaar als Jezus, die de voeten wast. Die doorn in het
vlees is het signaal: ‘Ik heb de HEER elke dag nodig. Bij elke pijnlijke stap,
die ik zet, ben ik op Zijn liefde aangewezen’.

Maar - nog één maal, voor alle
duidelijkheid: Paulus had liever niet verteld over deze crisis in zijn leven.
Hij had deze pijnlijke ervaring liever voor zichzelf gehouden. Het is zijn
persoonlijke ervaring. En hij heeft voor ons dus ook geen tip of trucje om ermee
om te gaan. Om de crisis te baas te worden. Dat lukt namelijk niet altijd. Het
is dan een pijnlijke ontdekking: déze crisis word ik niet de baas. Voor
‘meesterschap in crisis’ heb ik geen kant en klaar recept. Het grote gevaar is,
dat jij en ik zouden denken: zoals Paulus het ziet, moet ik het ook zien. Ik met
míjn doorn in het vlees – ik met mijn gebrek, met mijn ziekte, met mijn
verdriet, mijn voor iedereen verborgen pijnlijk geheim?!
Wat Paulus heeft kan je alleen gegeven worden.
God Zelf zal het jou duidelijk maken.
Dag aan dag, stap voor stap aangewezen zijn op dé Meester, God Zelf, die tegen
je zegt: ‘Je hebt niet meer nodig dan mijn genade’.
Genade is de kracht van Gods liefde.