Dankbaar: waarvoor?

Preek voor Dankdag 2 november 2011

Antoniuskapel, Sinderen / Grote Kerk Varsseveld

 Schriftlezingen: Psalm 138 en Matteüs 28:16-20

 

De beroemde, ja werkelijk wereldberoemde 18e eeuwse Poolse rabbi Baäl Shem Tov, grondleggger van het chassidisch Jodendom, had op zekere dag een ontmoeting met Chezkel, de waterdrager. Een waterdrager, de naam zegt het al, bracht, toen er nog geen waterleiding was, water naar de huizen van de mensen. Rijke mensen natuurlijk, want die konden een waterdrager betalen. De Baal Shem Tov kwam Chezkel tegen met twee zware emmers vol water op zijn schouders. ‘Hoe staat het leven?’, vroeg de rabbi, maar aan het chagrijnige gezicht van de waterdrager kon hij het antwoord eigenlijk al aflezen. ‘Slecht, meester’, zei Chezkel. ‘Het leven is zwaar’. Met waterdragen verdien ik al bijna geen droog brood en nu hebben de rijke mensen ook nog eens de gewoonte om hun huizen steeds vaker op de top van die heuvel daarginds te bouwen. Gevolg is, dat ik met mijn emmers water veel verder en ook nog eens omhoog moet sjouwen. Bovendien kan ik in dezelfde tijd steeds minder emmers naar de huizen dragen, dus gaan de verdiensten ook nog eens omlaag. Nee, rabbi, de Eeuwige heeft het helaas niet goed voor met een arme waterdrager als ik’.

De volgende dag kwam de rabbijn waterdrager Chezkel weer tegen. Weer met twee volle emmers water op zijn schouders. Weer op weg naar de huizen van de rijke mensen op dezelfde heuvel. Maar, vreemd genoeg, vandaag straalde zijn gelaat van vrolijkheid. ‘Hoe staat het er mee, broeder Chezkel?’, vroeg de Baal Shem Tov. ‘God zij dank, Rebbe’, antwoordde Chezkel, en de glimlach op zijn gezicht werd nog groter dan die al was. ‘God heeft mij goed bedacht in het leven. Toen ik jong was, voelde ik de druk van deze zware emmers water op mijn schouders als een loden last. Maar nu voel ik ze bijna niet eens meer. Aan alles kun je wennen. Ik voel me een bevoorrecht mens met een edel beroep. Ik mag mijn Joodse medemensen dienen door hen te brengen, wat ze het hardste nodig hebben: Water. Geprezen zij de Eeuwige’.

Toen Chezkel met zijn emmers was vertrokken vroeg de rebbe aan zijn leerlingen: ‘Zagen jullie dit? Dezelfde persoon, dezelfde emmers water, dezelfde huizen op de heuveltop. Maar gisteren was hij ontevreden, vandaag dankt hij zijn Schepper’.

Vandaag dankdag. Eerste woensdag in november komen we als vanouds bij elkaar om God te danken. Vandaag zijn we dankbaar. Horen we in elk geval dankbaar te zijn. Daar zijn we hier voor. Maar waarom eigenlijk? Op Twitter kon je de afgelopen dagen je tweetje kwijt over de vraag: ‘Waarvoor ben jij dankbaar?’. Even voor hen, die niet weten wat Twitteren is: dat is – eenvoudig gezegd – met je computer of mobieltje een berichtje de wereld insturen. Een heleboel mensen kunnen dat dan lezen. Een berichtje, een klein berichtje. Het mag niet meer zijn dan 140 letters of tekens. Dus schrijf nu eens met 140 letters op, waarvoor je dankbaar bent. Zou ook wel wat zijn voor vandaag in de kerk: zet het eens op een briefje. Ik ben dankbaar voor… en je denkt terug. Zo’n dankdag heeft iets van oudejaarsdag. Je laat een jaar de revue passeren. En natuurlijk – we danken vandaag voor arbeid en gewas - de voorbije seizoenen: winter, voorjaar, zomer en herfst. Eén van onze gemeenteleden, met het edele beroep van boer (minstens even edel als het beroep van waterdrager), stuurde mij ongevraagd maar uiterst welkom een mailtje ter voorbereiding op deze dienst. Hij herinnerde mij daarin aan iets, dat ik al weer bijna vergeten was: we hadden dit seizoen een zeer droog voorjaar. Weet ú het nog? Weet je nog, hoe wij ons zorgen gingen maken over het gewas? Maar zie toch eens: door de natte, maar toch niet koude zomer is het allemaal aardig goed gekomen. En in de prachtige herfstdagen konden de loonwerkers de rijke oogst snel en vakkundig binnenhalen. Nou, dat verhaal past niet in 140 tekens, maar je zou zeggen: het is wel reden voor grote dankbaarheid. Of zit er toch een keerzijde aan dit briefje? Het bewuste mailtje van het gemeentelid maakte mij weer eens klip en klaar duidelijk, dat het ZO simpel helaas niet ligt. Het inkomen van de boer is namelijk veel minder gebaat bij een goede oogst dan vroeger het geval was. Tegenwoordig gaat het om de prijzen, die je voor je producten krijgt. En daar mankeert nogal wat aan. Ik zeg het maar even simpel, zoals ik het als brave burger begrijp: alle kosten zijn voor de boer flink gestegen, maar de prijzen, die hij of zij voor melk, graan of vlees ontvangt, zijn gedaald. De melkprijs is gelukkig over haar diepste dieptepunt heen, maar het is lang niet wat het wezen moet. Een eerlijke melk- , vlees- en graanprijs is nog ver te zoeken. En dan ligt het allemaal nog veel ingewikkelder… maar daar hebben we nu maar niet over, want we zijn hier om… te danken.      

Waarvoor kun je écht danken? Zit niet aan elk dankgebed een keerzijde? Danken voor de geboorte van een kind? Afgelopen maandag werd de 7 miljardste wereldburger geboren. Voor wetenschappers niet echt reden tot dankbaarheid.

Danken voor kracht en gezondheid? Maar dan denk je meteen aan je buurvrouw, die in een rolstoel door het leven moet.

Danken voor vrienden en familie? Je voelt dan direct ook het gemis van dierbaren.

Danken voor een leuke baan? Maar dan maak jij je ook zorgen over de donkere economische wolken, die vanuit Griekenland Europa binnenvallen.

Danken voor… elk dankbriefje heeft een keerzijde. Bij elk Tweetje kun je wel een retweetje verwachten. En voor je het weet, dank je niet meer… En dat is ook zo wat: je zult maar als ondankbaar mens door het leven gaan. Als een mopperende waterdrager, die twee zware emmers waters de heuvel op moet zeulen.

Nee, neem dan de dichter van Psalm 138. Die kan danken! Van ganser harte. God danken! ‘Ik wil U loven met heel mijn hart’. De dichter van deze Psalm (staat er boven) is David. En misschien klopt dat niet zo historisch en is het niet letterlijk zo bedoeld, maar je kan het je zo goed voorstellen. Kleine David, die op zijn harp de HERE looft. Die als herdersjongen ‘de HEER is mijn herder’ zingt. En – jong geleerd oud gedaan – ook later vaak naar de snaren grijpt of zijn stemgeluid gebruikt om God te prijzen. En ook vandaag, dankdag, jubelt hij het uit. Voor ons, hier aanwezig of bij u thuis achter de kerkradio, zingt hij zijn lied. En hij legt ons de woorden in de mond. Prachtig op muziek gezet in ons Liedboek. ‘U loof ik, HEER, met hart en ziel, in eerbied kniel ik voor u neder’. Hij is ervoor naar het heiligdom, naar de kerk zullen we maar zeggen, gekomen. In de voorhof met al het gewone volk, buigt hij zich neer. Gezicht gericht naar de tabernakel, de tent van ontmoeting. Of later naar de tempel in Jeruzalem. Maar nooit alleen achter de dikke muren van een tempel- of kerkgebouw. Iedereen moet het horen, hoe dankbaar hij is! Hij zingt voor goden en voor koningen. Ja, hij zingt voor de HEER onder het oog van de goden – zoals je dat wel meer aantreft in het Oude Testament: dat God de HEER op zijn troon omringt is door andere goden en machten, engelen en krachten. Ook zij krijgen van David te horen: God, de HEER steekt ver boven jullie uit door Zijn liefde en trouw. Geen God zo goed en zo genadig als de HERE God van Israël.

Ook koningen moeten dat weten. De groten der aarde moeten dat beseffen. De presidenten, burgemeesters, kamerleden, ministers en andere hoogwaardigheidsbekleders moeten eraan geloven, wie God is.

Ja, wie God is.

Want hier komt de aap uit de mouw van de Psalmdichter. Waarvoor looft en jubelt, waarvoor dankt de Psalmdichter? Wat is het tweetje, dat David de wereld instuurt?

Is het redding uit de nood? Kan wezen – David was vaak op de vlucht voor zijn tegenstanders. Saul bijvoorbeeld zat hem dicht op de hielen en het ging soms op het nippertje goed. Reden tot dankbaarheid.

Of is het dat David genezen is van een ernstige ziekte? Niet dat we weten, maar een kwaal, waarvan je denkt: hier ga ik aan kapot - hij zou de eerste niet zijn. En als je mag genezen, dank je God op je blote knieën.

Of denkt David aan de vergeving van zijn schuld, die God hem heeft geschonken? Toen hij zich vergeep aan Bathseba, de vrouw van zijn generaal Uria, was hij des doods schuldig. Maar de HEER schonk hem vergeving. Als dat geen reden tot dankbaarheid is!

En toch gaat hij nog verder, nog dieper. Want hij dankt God niet in de eerste plaats om wat God doet, maar in de allereerste plaats om wie Hij IS. En wie God is, dat kun je weten door wat Hij je gezegd heeft. De woorden tot jou gesproken. Dat leer je uit Gods woord. GODS woorden, die je raken tot in je hart. Daar spreekt David van – ‘de grote dingen, die God beloofd heeft’, ‘de beloften uit de mond van de HEER’, zoals het in de Nieuwe Bijbelvertaling vertaald is. Maar het gaat niet alleen om beloften, het gaat om elk woord dat God spreekt. Zijn toezeggingen, Zijn vrijspraak, Zijn zegen. Door al die woorden leer je God kennen. Ontdek je wie Hij is. Ontdek je tot je grote verwondering en dankbaarheid, dat Hij er ook voor jou is. Want dat is de aller, allergrootste ontdekking, die de Psalm bekend wil maken: dat de HEER wel hoogverheven is, maar dat Hij omziet naar de nederige. Dat de Allerhoogste HEER vanaf zijn hemelhoge troon afkomt, zich bukt, zich neerbuigt om te zien hoe het met de arme waterdrager is. Of met de arme boer of burger. Of met de arme Mauro of  met dat 7 miljardste kind. Of met die vergeten huisvrouw of die afgekeurde werknemer. Dat Hij zich interesseert en bekommert om de kleinen. En dat Hij zich verre houdt van de groten der aarde – tenminste: van hun grootspraak, van hun grote mond, van hun grootheidswaanzin.

De hoge God buigt zich neer en ziet MIJN zitten en mijn staan. Geeft MIJ leven telkens weer. Legt Zijn hand op mij en wijst mij de rechte weg. Zo is God. De God die wij hebben leren kennen als Hij, die Zijn Zoon naar ons deed neerdalen. Die in de diepte van de dood aan het kruis voor ons ten onder ging. Die als de Levende met ons belooft te zijn tot aan de voltooiing der wereld. Hij is met ons alle dagen.       

Dat is voor ons de allergrootste reden tot dankbaarheid. Daar loven wij de HEER voor met hart en ziel. Daarom knielen wij in eerbied voor Hem neder. Daarom zullen wij van harte zingen. Want door Gods belofte zien wij alle dingen in een ander licht. Zien wij in alle dingen niets dan Zijn genegenheid. Over alle dingen, alle omstandigheden, de goede en de kwade dagen, in ziekte en gezondheid straalt de zon van Gods genade.

Zo kan het dus zo maar gebeuren, dat een mopperende, klagende waterdrager van de één op de andere dag een dankbaar mens wordt. Geraakt door wie God is, ziet hij in alle dingen de liefde van God. Als je weet wie God is, zie je pas wat God doet.   

‘Het is dus maar, hoe je tegen de dingen aankijkt’, zegt rebbe Baal Shem Tov tegen zijn leerlingen, als zij de waterdrager vrolijk de heuvel op zien klimmen: ‘Alles wat God doet is goed. Het hangt er alleen maar van af, hoe wij dat goede willen ontvangen’.

 

 

terug naar beginpagina