|
Waar het hart vol van is... Preek voor de jongerendienst op 6 november 2011 Keurhorst, Sinderen Schriftlezingen: Matteüs 13:44-46 |
‘Waar het hart vol van is, loopt de mond van over’. Als je ergens enthousiast
over bent, dan moet je dat kwijt. Je kunt er niet over zwijgen, je moet erover
praten.
Zo is het ook met geloof. Als het geloof voor jou belangrijk is, dan houd je dat
niet voor jezelf. Dan stroom je ervan over. Dan spreek je erover met anderen.
Dan kun je toch niet zwijgen?
En toch blijkt het niet zo te werken. In elk geval: veel gelovige mensen hebben
er moeite mee om over hun geloof te praten. Je komt er niet makkelijk mee voor
de dag. Als iemand aan je vraagt ‘Wat zeg jij er van?’ dan sta je toch vaak een
beetje met de mond vol tanden. En als je soms denkt, dat dominees daar geen last
van hebben, dan moet ik je teleurstellen. Of geruststellen. Ook ik heb daar
moeite mee. Ik heb ook niet meteen mijn woordje klaar, als iemand me vraagt:
‘Wat zeg jij er van? Vertel eens over dat geloof van jou…’ En dat zou toch
eigenlijk wel moeten? We MOETEN erover praten. Dat is toch de opdracht voor
ieder christen – om getuige van Jezus te zijn, een goed woordje voor het geloof
doen. Maar als dat dan niet lukt? Moet je dan niet afvragen of dat hart van jou
wel VOL genoeg zit? Moet ik me dan een beetje schuldig gaan voelen? Als ik
werkelijk VOL van God zou zijn, dan moet ik dat toch kunnen vertellen?
Nou, misschien ligt het toch een beetje anders. Luister naar die twee
gelijkenissen, die Jezus ons vertelt. Twee kleine verhaaltjes uit het dagelijks
leven
gegrepen. To-the-point, zoals alleen Jezus dat kon. Twee verhaaltjes over
twee enthousiaste mensen. Ja, ze zijn er helemaal VOL van – van wat ze gevonden
hebben. De eerste heeft een schat gevonden. Hij is aan het spitten geweest op de
akker van een ander. Als arbeider in dienst van een boer, als dagloner of
loonwerker. Maar op een mooie dag vindt hij zelf de schat van zijn leven. Zijn
spa stuit op iets hards en als hij de grond opzij schept, ontdekt hij een houten
kistje. In dat houten kistje: geld, goud! Een fortuin. Het lot uit de loterij is
vandaag op hem gevallen.
En neem die koopman, die op zoek is naar mooie parels. Ook hij gaat op zekere
dag helemaal uit zijn dak. Gevonden! De allermooiste parel, die hij ooit gezien
heeft ligt ergens in een stoffig antiekwinkeltje. Zo maar voor het grijpen. Nou
ja, kopen. Hij heeft hem al eens in handen gehad en hem eens goed bekeken. Wauw!
Als echte kenner kan hij maar één conclusie trekken: ‘Bingo!’ En vervolgens kan
hij nog maar één ding denken: DIE moet ik hebben.
Een schat, een parel – dat is het geloof. Kostbaar, waardevol, je moet het
hebben, je kunt het niet missen. Diep in je hart weet je dat het zo is: een God
die van je houdt. Een HEER, die naar de wereld kwam om Zijn leven voor je te
geven. Een graf, dat open ging. En daarom: nooit meer alleen. Altijd leeft Jezus
met je mee. Wat een geluk! Maar leg dat eens uit aan een ander, aan een
buitenstaander… die er niet mee is opgevoed. ‘Wat zeg jij ervan? Wat zeg jij -
tegen ‘jan en alleman’?
Let nog even verder op die twee mannen uit die verhaaltjes van Jezus. Wat denk
je? Gaan die met hun gouden vondst te koop lopen? Ze kijken wel uit!
De man, die de schat in de akker gevonden heeft, neemt zich zelfs plechtig voor
niets te zeggen. Tenminste: niet te pas en te onpas tegen jan en alleman. Want
als hij dat doet, verpest hij zijn eigen plan. Hij heeft namelijk de schatkist
weer onder de grond gestopt en gaat naar huis. Hij heeft het plan opgevat om
alles op alles te zetten om die akker te gaan kopen. En met die akker de schat…
Juridisch geen speld tussen te krijgen. Of het helemaal fatsoenlijk is, doet er
even niet toe. Eén ding is nodig: hij moet zijn mond houden om de klapper van
zijn leven te maken. Als hij naar huis loopt, komt hij de buurvrouw van rechts
tegenover tegen. ‘Oppassen’, denkt hij, ‘dat mens ken ik langer dan vandaag!’.
‘Hallo, buurman’, roept ze hem toe, ‘Wat zie jij er vandaag vrolijk uit! Je
straalt helemaal! Ben ik helemaal niet gewend om je zo te zien, als je moe en
uitgeput van je zware werk op de akker thuiskomt’. ‘Zo, buurvrouw, vind je dat?
Nou,
niks aan de hand hoor…’.
Maar als hij thuis komt, zegt hij tegen zijn vrouw: ‘Vrouw, we gaan alles
verkopen’. Je begrijpt: zijn vrouw valt van verbazing steil achterover. ‘Wat?’
En dan MOET de fortuinlijke loonwerker natuurlijk wel IETS vertellen. Maar dan
alleen aan degene, die hij vertrouwen kan.
En met die parelkoopman is het niet anders. Ook hij moet zijn enthousiasme eerst
maar eens even verbergen. Met dat kleine witte bolletje in zijn handen staat hij
voor de toonbank. ‘Is er iets?’, vraagt de antiquair. ‘Nou, nee… ik vind dit wel
een aardig pareltje. Wat moet-ie kosten?’. Helaas is de antiquair ook niet
helemaal van gisteren. Een spotprijs wordt het niet. Dus ook de parelkoopman
gaat naar huis. Ook hij gaat ALLES verkopen – om die ene parel in zijn bezit te
krijgen. Ik hoop maar dat HIJ GEEN vrouw heeft tegen wie hij iets moet
uitleggen… ZELFS al ZOU hij het uitleggen, een buitenstaander kan NOOIT
begrijpen wat iemand in zo’n wit bolletje ziet. Behalve, ja behalve de andere
fanatieke leden van het universeel genootschap van parelkooplieden. Mensen, die
er ECHT verstand van hebben! Daar kun je mee praten. Die kun je het vertellen.
En laat dat dan maar een wijze les voor ons zijn. Het evangelie is als een schat
in een akker en een kostbare parel – maar daar moet je wel open voor staan. En
dat kun je dus eigenlijk alleen maar een beetje uitleggen aan mensen, die er ook
open voor staan. Die echt bereid zijn en echt geïnteresseerd om jou te
begrijpen.
Als iemand dus morgenochtend in de klas tegen jou zegt: ‘Hé, wat ben je vandaag
vrolijk, zo na het weekend? Fijn weekend gehad?’ Dan kún je zeggen: ‘Inderdaad,
gisteren een fijne kerkdienst meegemaakt’. Maar dan is het natuurlijk wel even
belangrijk tegen wie je dat zegt. Is zo’n vraag echt een belangstellende vraag?
Is die klasgenoot echt in jou geïnteresseerd? Dan heb je een gouden kans om iets
van je geloof te delen en door te geven.
Of als dat meisje op je werk, die niet met geloof is opgevoed, het moeilijk
heeft en naar jou toekomt met de vraag: ‘Zeg, kun je mij vertellen, hoe dat
geloof van jou je steun geeft?’ Dan heb je een gouden kans om iets te delen.
Maar er zijn ook gelegenheden, dat je beter je mond kunt houden. Dan kun je
beter je geloof laten zien door je gedrag. Het luisterend oor voor een ander, de
vrolijke inbreng in een discussie, het schouderklopje op de juiste tijd… En -
wie weet – komt het er ooit nog eens van. Dat ze het aan je vragen. Dat je iets
over je geloof kunt vertellen. Wat zeg jij er van?
Want het geloof is een geheim, dat een ander niet zo maar begrijpen kan. Het
geloof is een schat, waar je de waarde van in moet zien. Het bgeloof is een
parel, maar je moet parels niet voor de zwijnen gooien.
Maar als het er van komt,
als je even IETS kunt doorgeven van wat er in je leeft,
als iemand er echt oprecht en serieus naar vraagt
Houd dan je mond niet, maar laat het horen.
Op jouw eigen wijze mag je dan inderdaad een getuige van Jezus zijn. Even je
volle hart over laten lopen.