|
Kinderpreek voor de dienst voor jong en oud op 27 november 2011 Grote Kerk Varsseveld Schriftlezing: 2 Samuel 6:10-22 Aan deze dienst werkte het personeel en de kinderen van de Koningin Wilhelminaschool mee! |
Een goede koning… Is dat een koning met een gouden kroon, een prachtige
mantel, op een schitterende troon, in een megagroot paleis?
Ik zal jullie het verhaal van Pietje vertellen. Pietje Pauw. Of eigenlijk heet
hij helemaal geen PIETJE. Zijn ouders, vader en moeder Pauw noemen hem Eduard
Christiaan Pieter Pauw. Pauwen zijn bijzonder deftige dieren. Ze lopen altijd
rechtop. Ze eten door netjes met hun snavel zaadjes van de grond te pikken. Hun
veren zien er altijd keurig en verzorgd uit.
Eduard
Christiaan Pieter Pauw woont met zijn ouders, broers en zussen op een Landgoed.
Een prachtig park met middenin dat park een prachtig huis. In dat huis woont de
baron. In het park woont de familie Pauw. Andere dieren mogen er NIET komen.
Zeker niet de kippen van de buren. Want naast het landgoed van de baron ligt een
boerderij. Daar scharrelen kippen op het erf. Maar als de baron ziet
dat er
ook maar één kip één poot op het landgoed zet, laat hij de hond los. Zo’n gemene
lelijke zwarte Rottweiler… Dus die kippen? Die blijven wel weg….
Maar wat wil het geval? Eduard Christiaan Pieter Pauw is vriend geworden nota
bene met één van de kuikens van de boerderij. Op een dag hebben ze elkaar gezien
door de spijlen van het grote hek, dat voor het landgoed staat. ‘Wie ben jij?’,
piepte het kuiken. ‘Ik ben Eduard Christiaan Pieter Pauw’, sprak Eduard
Christiaan Pieter. ‘Wat?’, zei het kuiken, ‘dat is een hele snavel vol, zeg! Dat
kan ik niet allemaal onthouden’. ‘O zeg maar gewoon ‘Pietje’ dan’, zei Pietje
Pauw. ‘Ja leuk’, zegt het kuiken, ‘zo heet mijn kleine neeffie ook! En ik heet ‘Kareltje’.
‘Kareltje Kuiken’ en als ik groot ben ‘Kareltje… Haan’.
Nou, die twee kunnen het uitstekend met elkaar vinden. Ze vertellen elkaar
verhaaltjes en mopjes. Ze doen spelletjes. En soms, als vader en moeder Pauw er
even niet zijn, kruipt Pietje door de spijlen van het hek. Maar niet te lang,
want vader Pauw heeft dat ten strengste verboden. ‘Kippen zijn ordinaire dieren.
Ze stinken naar kippenpoep en zitten onder de modder. Een kip past niet bij een
pauw. Je moet er niet mee omgaan. Dat HOORT niet…’.
Nu is het Zondagmiddag. En op zondagmiddag gaat de familie Pauw altijd een
wandelingetje maken. Dan gaan ze - voor even maar - met zijn allen door het hek
van het landgoed af. Zo ook op deze zondag. Het is een koude dag. ZO koud, dat
het ‘s nachts al een klein beetje gevroren heeft en er nog een heel, heel dun
laagje ijs op het slootje ligt. Pietje en zijn zusjes blijven natuurlijk netjes
bij vader en moeder lopen. Maar plotseling, wat is dat? Ze horen gepiep. ‘Piep,
piep, piep’. Ze hoorden gespetter ‘Plets, plats, pledder’. Ze zien even verderop
- o wee, er ligt iets in het water! Het is klein, geel… ‘Doorlopen, kinderen’,
roept vader Pauw nog. Maar Pietje wil niet doorlopen. ‘Doorlopen, Eduard
Christiaan Pieter Pauw’, riep moeder, ‘Luister naar je vader’. ‘Maar er ligt
iemand in het water! Een kuikentje!’. Pietje heeft al lang gezien, dat het
Kareltje is, maar dat durft hij natuurlijk niet te zeggen.
‘Doorlopen’,
zegt vader, ‘Er zijn nog kippen genoeg op de wereld’. Maar Pietje laat zich niet
meer tegenhouden. Hij stuift op de sloot af, over het dunne laagje ijs heen, dat
onder zijn pootjes kapot breekt. Pietje zakt erdoorheen. Maar klapperend met
zijn vleugels komt hij toch weer boven water. Met zijn snavel pikte hij Kareltje
op. Al spetterend komt hij terug – aan de wal. Gelukt! Als Pietje Kareltje
loslaat weet het arme kuikentje niet, hoe snel het zich uit de pootjes moet
maken. Piepend trippelt hij naar de boerderij terug. En Pietje? Pietje ligt te
puffen en te hijgen in de modder. Helemaal vies en smerig… ‘Kom mee’ zegt vader
Pauw, ‘We gaan terug naar huis. Je bent vies, je stinkt. Dat hoort toch niet!
Dat hoort niet bij een pauw…’. Het waren strenge woorden, maar – ik kan me
vergissen, maar ze klinken toch niet zo streng als vroeger. En moeder Pauw zegt
al helemaal niets. Als ze weer thuis zijn op het landgoed, stopt ze Pietje in
een warm hoekje van het pauwenverblijf. Met een oude pauwenveer maakte ze Pietje
voorzichtig schoon. Dan bedekt ze hem met pauwendons. Ze ziet wel, dat Pietje
ziek is geworden. Ziek van de kou… Hij proest en niest… Gelukkig na een paar
dagen is Pietje weer helemaal beter. Op een mooie middag steekt een grote haan
zijn kop door het hek van het landgoed. Heel voorzichtig, want hij moet er zeker
van zijn dat die akelige hond van de baron niet in de buurt is. ‘Kukelekuuu’,
roept hij, als hij ziet dat de kust veilig is. Daar komen ze: voorop de haan en
daarna één twee, drie, vier… nou ja, het hele kippenhok is meegekomen. Om Pietje
te bedanken voor zijn dappere daad.
En vader en moeder? Die zijn natuurlijk zo trots als een… pauw!
Zo zie je maar: het is best belangrijk om je netjes te gedragen. Keurig, braaf
zoals het HOORT. Dat is heel belangrijk. Maar nog veel belangrijker is, dat er
je er bent om anderen te helpen en desnoods te redden.

Zo was het voor koning David heel belangrijk om een waardig koning te zijn. Maar
veel belangrijker is het, dat hij zich niet te groot en te goed zal
voelen om voor al zijn mensen te zorgen en God te dienen. Als de ark naar
Jeruzalem komt kan David dus niet op zijn troon blijven zitten. Hij kan
zijn kroon niet op zijn hoofd houden en zijn koningsmantel niet aanhouden. De
ark is teken van Gods aanwezigheid. Door de ark weet David: De HEER komt
naar Jeruzalem! De HEER wil bij ons wonen! Dat MOET ik vieren met
iedereen op straat.
Over een paar weken, als alle vier Adventkaarsjes zijn aangestoken, vieren we
kerstfeest. Dan vieren we de geboorte van Jezus. Jezus: de Zoon van God. De
allerhoogste koning. Toch wordt Hij geboren in een stal – tussen de mensen,
tussen de dieren. De koning van hemel en aarde daalt uit de hoge hemel af om ons
te redden. Hij gaf voor ons Zijn leven. Hij wil altijd bij ons zijn. Hij wil je
helpen, naar je luisteren, voor je zorgen. Elke dag!
Als je dat bedenkt dan kun, nee dan MOET je wel uit je dak gaan van plezier! Dan
moet je zingen en dansen van vreugde. Het kan je niets schelen, wat
andere mensen ervan denken.
Zeggen ze dan ‘Dat hoort toch niet?’, dan zing je dolenthousiast, tóch gewoon
het hoogste lied!