Nationale heldin

Preek voor 4 december 2011 (Tweede Advent)

Keurhorst, Sinderen

 Schriftlezingen: Rechters 5 en Lucas 21:25-31


‘HEER, laat zo al uw vijanden ten onder gaan, en maak wie u liefhebben onstuitbaar als de opgaande zon' (Rechters 5:31)

Ieder volk, ieder land kent zijn nationale helden. Ook wij Hollanders. Uit onze historie herinneren wij ons Willem van Oranje als ‘vader des vaderlands’. Of zeeheld Michiel de Ruytier, die vanuit Vlissingen de wereldzeeën bedwong. Johan Cruijff kunnen we misschien ook bij de helden rekenen – of denken we daar nu - na alle gehakketak bij Ajax – een beetje anders over? Nationale helden worden ook bij ons soms bezongen in een lied. Sommige van die liederen blijven zo lang hangen, dat we niet eens meer precies weten over wie en wat we eigenlijk zingen. Want wie weet meer van Piet Hein, dan dat zijn naam klein en zijn daden groot zijn? En dat hij ooit ‘den zilvervloot heeft verwonnen’? Heb je het wel gehoord? Ik zou het in elk geval na moeten zoeken om de precieze betekenis van deze nationale held en zijn zilvervloot te achterhalen.
Hebben we het over helden, dan moeten we het zeker ook hebben over heldinnen. In onze vaderlandse geschiedenis zijn ook die te vinden. Wat denk je van Hannie Schaft in de tweede wereldoorlog? Het meisje met het rode haar dat er niet voor terugschrok NSB-ers of SS-ers eigenhandig te liquideren. Of – wat langer geleden – de spreekwoordelijk berucht geworden Kenau Simons Hasselaar. Zij speelde een belangrijke rol bij het beleg van Haarlem in 1573. Toen de Spanjolen onder leiding van hertog Alva de muren van de stad bestormden, was Kenau één van degenen, die voorop ging in de strijd. Ze bekogelde de vijand eigenhandig met kokend water, brandend stro en gesmolten pek. Een oud rijmpje – passend in deze Sinterklaastijd, niet waar? – schrijft over haar als ‘Ziet hier een vrou, genaamt Kenou, vroom als een man, die taldertijd vromelijk bestrijt den spaensen tiran’.
Deze ‘vrome’, dat wil zeggen ‘dappere’ heldin lijkt als twee druppels water op de dappere vrouw die in Rechters 4 en 5 de hoofdrol speelt. Opvallend genoeg is die hoofdpersoon van het verhaal uit Richteren niet de man Barak. Barak is weliswaar aanvoerder in de strijd tegen de Kanaänieten, maar hij moet eerst door iemand anders tot actie worden gebracht. Vervolgens trekt hij – als held op sokken - alleen ten strijde als die ander ook meegaat. En die ander is van het zogenaamd ‘zwakke geslacht’: Debora, de wijze vrouw, de profetes, die onder een palmboom rechtspreekt over Israël. Zo brengt een vrouw het volk in beweging. Debora is het, die de moed erin pompt en erin houdt. Want dat blijkt wel nodig te zijn. De Kanaänieten zijn namelijk heer en meester in het beloofde land. Hun koning Jabin en hun generaal Sisera voeren een schrikbewind. En dat kunnen ze doen vanwege hun militaire superioriteit. Ze hebben namelijk de beschikking over het meest geavanceerde wapentuig van die dagen: strijdwagens! Maar liefst 900 strijdwagens vormen het paradepaardje van het Kanaänitische leger. Met die overmacht houden ze de Israëlieten in een ijzeren greep. Ooit is Israël bevrijd uit Egypte. Ooit heeft Israël het beloofde land in bezit gekregen. Nu is het weer helemaal terug bij af. De slavernij is terug. Diep in de put. Op sterven na dood. Een kwestie van tijd – dan is het gedaan met alle vrijheid, ja met het bestaan van het volk van God. Dan gaat Israël te gronde op het slagveld van de geschiedenis, in de struggle for life, waarin het recht van de sterkste geldt.
Maar Debora legt zich daar in Gods Naam niet bij neer. Samen met Barak gaat ze er tegenaan. Wonder boven wonder volgt er een klinkende overwinning. De natuur helpt namelijk een handje mee. Als de slecht bewapende Israëlieten van de berg Tabor op de vijand afstormen, barst er een geweldig noodweer los. De hemelpoorten gaan open boven het strijdperk. De sterren lijken van de hemel te vallen in bliksemvuur en donderslagen. Het water valt met bakken uit de lucht. Het anders zo rustig kabbelende beekje Kison treedt gigantisch uit zijn oevers. De strijdwagens lopen vast in de modder. De Kanaänieten slaan te voet op de vlucht om hun vege lijf te redden. Zo wordt de tirannie verdreven. Dankzij die beide richters Debora en Barak. Maar voor alles: lof zij de HEER! In deze klinkende overwinning op de vijand beleeft Israël eens te meer de macht en kracht van het leger van de HEER. De HEER heeft voor hen de strijd gestreden. De HEER heeft hun de overwinning gebracht. De trouw van God aan Zijn volk is eens te meer gebleken. En daar moet op gezongen worden! Rechters 5 is dus het lied, waarin Rechters 4 nog eens dunnetjes over wordt gedaan. Rechters 4 was het verhaal in proza. Rechters 5 is de bijpassende poëzie. Ere wie ere toekomt: De HEER wordt geprezen, maar ook de helden worden bezongen. Debora en Barak zingen hun duet voor de HEER en voor de helden in de strijd.
En dan blijken die beide rechters, Debora en Barak, zichzelf in alle bescheidenheid toch niet de grootste helden te vinden. Die eer geven ze aan een ander. Ook aan een vrouw, die ze de eretitel ‘beste aller vrouwen’ geven.
Haar naam is Jaël. Ze is nog niet eens een echte Israëlitische. Ze maakt deel uit van de bedoeïenstam van de Kenieten. Ze is met haar familie uit een verre woestijn gekomen. Ze heeft voor een tijdje haar tent opgeslagen tussen Kanaänieten en Israëlieten. Ze is dus een vreemdeling, een zwerver, een zigeunervrouw, zou je zeggen. Jaël – ze heeft een prachtige naam. Ooit had ik op reis in Israël een Joodse gids, die zijn dochter die naam ‘Jaël’ had gegeven. Dat betekent in het Hebreeuws zo iets als ‘berggeitje’. Maar die lieflijke naam staat in schril contrast met de gruwelijke manier waarop zij de vijandelijke generaal vermoordt. Deze Jaël had net zo goed ‘Kenau’ kunnen heten. Of ‘Hannie Schaft’. Op zijn vlucht komt Sisera bij Jaël’s tentenkamp aan. Zij sust hem met haar vrouwelijke charmes in slaap. Ze slaat vervolgens met een hamer een tentpin (een tentharing, zouden wij zeggen) door zijn hoofd. Zo wordt Israël bevrijd van een tiran. Zo wordt een dictator uit de weg geruimd. Dat wordt prachtig poëtisch bezongen in dit heldendicht: ‘Aan haar voeten viel hij neer, bezweek hij en bleef liggen. Aan haar voeten bezweek hij, daar viel hij neer. Waar hij bezweek, daar bleef hij liggen, verpletterend verslagen’. Het leedvermaak druipt er van af, als het heldendicht zijn fantasie de vrije loop laat. De moeder van Sisera staat tevergeefs te wachten op de triomfantelijke terugkeer van haar zoon. Maar hij komt niet… De geweldenaar is overweldigd. De man van het moderne wapentuig is geveld door simpel huis-, tuin- en keukengereedschap. Die verschrikkelijke verkrachter is overmeesterd door een verleidelijke vrouw. Sisera’s bloed kleurt de aarde rood in de tent van Jaël. Zo komt boontje om zijn loontje…
En nu zijn wij waarschijnlijk niet in staat om onze beschaafd gevoelens te onderdrukken. We denken of roepen het uit: wat een akelig verhaal! Het kan zo in een moderne horrormovie of keiharde actiefilm. Niet eens geschikt voor zestien jaar en ouder. Maar realiteit! Waar gebeurde gruweldaad! De beelden die ons voor ogen staan als we de dode Sisera in de tent van Jaël op de grond zien liggen, komen ons helaas bekend voor. Ze doen ons denken aan de beelden van de dode Saddam Hoessein, die na een schijnproces werd opgehangen. Of van de dode Osama bin Laden – doodgeschoten bij een commandoactie van Amerikaanse militairen. Of aan de beelden van de dode Ghadaffi – door het hoofd geschoten door zijn eigen opstandige volksgenoten. En wat denken wij dan? Wat vinden we ervan? We zijn geschokt om zulke oorlogsmisdaden. We roepen hier in ons vrije rustige landje om een diepgaand onderzoek naar stafbare feiten! Ook, zelfs, deze dictators verdienden in onze ogen een eerlijk proces. De onderdrukte bevolking van Libië heeft daar even geen boodschap aan. Ze vieren feest. Ze zingen hun overwinningsliederen. Ze vereren hun helden. En de grootste held is hij (of zij), die de trekker overhaalt om het beslissende schot af te vuren… Zo zit dat in de nationale historie.
Helden, heldinnen… zoals Jaël. Slim. Koelbloedig. Vastberaden gaat ze haar gang. Ze wordt erom geprezen in de Bijbel door Debora en Barak. Deze heidense vrouw is ‘de beste aller vrouwen’. In hun lied. In hun ogen.
En in Gods lied? In Gods ogen? Zet de HERE God onder zulke gruweldaden ook zijn handtekening?
Hij is het die Israël bevrijdt. Hij is het die de overwinning geeft. Aan Hem de eer. Maar geeft Hij nu ook zijn goedkeuring aan de manier waarop? Of moet Jaël bij wijze van spreken toch eenmaal verschijnen voor Zijn tribunaal voor oorlogsmisdaden?
Hoe kunnen wij dat weten? Het staat er niet bij in de Bijbel. Zoals er bij heel veel van die gruwelijke verhalen in de Bijbel niet bijstaat of God er nu wel of niet achter staat. Hoe kunnen wij weten, wat Gods wil is?
Nou ja, dat kúnnen wij wel weten. Want het is Advent. Wij verwachten de Zoon des mensen. Zoals we dat uit Lucas 21 gehoord hebben. De Mensenzoon zal komen, bekleed met macht en grote luister. En daarmee zal de grote verlossing komen. Als Hij komt met de wolken breekt het Koninkrijk van God aan. En we weten, hoe dat zal zijn. Tenminste: we kennen de grote lijnen van dat Koninkrijk. Omdat Hij, die komt, gekomen is. Wij vieren over een paar weken de geboorte van het Kind, van God gekomen. Geboren in de stille heilige nacht in de stal van Bethlehem. Gelegd in de kribbe. Weerloos, arm en naakt geworden. Om ons rijk te maken. Om ons te redden. Hij is het die ons leert onze vijanden lief te hebben en hen de andere wang toe te keren. Hij gebiedt ons onze schuldenaren te vergeven, zoals Hij ons onze schuld vergeven heeft. Hij nam niet het leven van anderen, maar gaf Zijn eigen leven. Hij hanteerde niet de hamer en de spijker – zoals Jaël – maar werd zelf aan het kruis gespijkerd. Om ons te bevrijden gaf Hij Zijn leven.
En zijn we in deze Mensenzoon niet mijlenver verwijderd van de bloederige verhalen van het Rechterenboek?
Toch niet helemaal… Opvallend genoeg beëindigen Debora en Barak hun overwinningslied met een gebed. De lof voor de helden en heldinnen moet even verstommen. Alle menselijke emotie van wraakzucht, leedvermaak en triomfantelijkheid moet even zwijgen. Debora bidt: ‘HEER, laat zo al uw vijanden ten onder gaan en maak wie u liefhebben onstuitbaar als de opgaande zon’. Het gaat dus uiteindelijk niet om onze vijanden, maar om Gods vijanden – en dat is niet altijd hetzelfde. Het is de Mensenzoon die komen zal om te oordelen de levenden en de doden. Hem komt het oordeel toe.
Van ons wordt LIEFDE gevraagd – liefde tot God. Hem liefhebben. Dat wil zeggen: op Hem vertrouwen en Hem gehoorzamen. Gaan waar Hij voor gaat. Gaan waar Jezus, Gods Zoon voor ging. Voor de liefde. Voor Gods Koninkrijk en voor Gods gerechtigheid. Begrijp me goed: dat kan dan wel eens betekenen, dat we moeten vechten. Figuurlijk, maar zelfs ook letterlijk. We mogen niet als de beste stuurlui aan de wal blijven staan. Soms moeten we vuile handen durven maken. Om naar eer en geweten de tirannie te verdrijven. Om onrecht te bestrijden. Om de zwakken, ook in onze samenleving, te beschermen en te bevrijden. En als er dan – God zij dank – iets doorbreekt van Gods overwinning, dan is dat als de zon, die opgaat. Dan zijn het de eerste zonnestralen, die een nieuwe dag aankondigen. De zon, die met haar warmte de kou en met haar licht de duisternis verdrijft. Bode van de grote zomer. Dan komt Immanuel Zijn volk verlossen.
 

terug naar beginpagina