Gevonden!

Preek voor Eerste Kerstdag 25 december 2011

Keurhorst, Sinderen

 Schriftlezingen: Jesaja 55:1-7 en Lucas 2:8-20


Tekst: ‘Ze gingen meteen op weg, en troffen Maria aan en Jozef en het kind dat in de voederbak lag. Toen ze het kind zagen, vertelden ze wat hun over dat kind was gezegd’ (Lucas 2:16-17)

Ze hebben het gevonden. Ze hebben het eindelijk gevonden. Na lang zoeken en speuren is het zover. Ze wisten: ‘Het moet ergens te vinden zijn. Dat kan niet anders!’ Dus zijn ze op zoek gegaan als naar een speld in een hooiberg. Kosten noch moeite hebben ze gespaard om het op het spoor te komen. Ja, het heeft veel geld gekost: miljarden! Het heeft ook heel lang geduurd: 47 jaar.
In 1964 kreeg de Britse natuurkundige Peter Higgs bij een trektocht door de Schotse bergen zijn geniale inval. Ik begrijp er niet veel van. Wat ik erover zeg is dus veel te simpel. Maar Peter Higgs toonde in 1964 het bestaan aan van een elementair deeltje. Ter ere van hem het ‘Higgsdeeltje’ genoemd. Dit deeltje MOEST bestaan, anders zou alle materie van onze werkelijkheid geen gewicht hebben. Maar hoe vind je een deeltje dat veel kleiner is dan een atoom? Hoe vind je het allerkleinste bouwsteentje van onze werkelijkheid? Dit Higgsdeeltje is de oorsprong van alles wat bestaat. Met dit deeltje is alles begonnen. Zonder dit deeltje zou er niets kunnen bestaan. Het kreeg daarom zelfs de bijnaam ‘Goddeeltje’. In de hypermoderne, peperdure deeltjesversneller in Genève heeft men het nu gevonden. Nog even met een slag om de arm, maar het lijkt er toch echt op. Eindelijk ‘gevonden’.
Ook de herders op Efratha’s velden zijn in de kerstnacht op zoek gegaan. Niet naar een ‘goddeeltje’, maar naar God op aarde. Ze hadden van de engel gehoord, dat Hij er moest zijn: de Redder, de Messias, de HEER. En al begrijpen ze waarschijnlijk net zo weinig van religie als ik van natuurkunde, ze zijn op zoek gegaan. Want wie wil dat nou niet: een redder, een messias, een HEER. Een Redder, die het voor jou opneemt, die je bevrijdt, als je in de problemen zit. Een Messias, die je vertelt, hoe je leven moet en je opbeurt als je in de put zit. Een HEER die voor je zorgt en naar je omkijkt. ‘Vandaag is Hij geboren’, zegt de engel. En de herders gaan op zoek.
Op zoek. Mensen zijn op zoek. Zoeken is iets typisch menselijks. Je kunt zelfs zeggen: Het onderscheidt mensen van dieren. Natuurlijk gaat een dier ook opzoek: naar voedsel, naar veiligheid, naar leefruimte. Maar typisch voor een mens is dat hij of zij altijd op zoek gaat naar MEER dan dat. Meer dan het gewone. Meer dan natje en droogje. Op zoek naar… ja, hoe zullen we het noemen: op zoek naar geluk, levensvulling, een doel in je leven, een zinvol leven. Op zoek naar het geheim van de werkelijkheid. Het is dus typisch menselijk om zoals Columbus de wereldzeeën te bevaren – op zoek naar wat achter de horizon ligt. Om als André Kuipers met een raket de ruimte in te vliegen om daar het onbekende te gaan verkennen. Het is dus ook typisch menselijk om op zoek te gaan naar dat Higgsdeeltje. Meer willen weten. Meer onderzoeken. Letterlijk en figuurlijk de aarde ontstijgen – op zoek naar wat hoger ligt dan onze dampkring. Op zoek naar wat achter onze werkelijkheid ligt. Dieper dan onze ogen kunnen zien. En kun je dat dan vinden?
Zie ik het goed, dat juist onze tijd meer opheeft met zoekers dan met vinders? Mensen die zoeken trekken onze aandacht. Mensen, die zeggen dat ze iets gevonden hebben, bekijken we met wantrouwen. Zeker als ze zeggen, dat ze HET gevonden hebben: het ultieme geluk, de absolute waarheid, de laatste werkelijkheid. Als ze zeggen dat ze God gevonden hebben. Mensen, die dat beweren, kun je die wel geloven? Mensen, die het gevonden hebben, klinken vaak zo zelfverzekerd. Zo arrogant. Zoekers zijn vaak veel interessanter. Twijfelen, aarzelen, wikken en wegen in plaats van zeker weten. Op weg zijn in plaats van je doel bereikt hebben. Zoeken zet je in beweging. Vinden brengt een mens tot stilstand. En kun je trouwens in deze wereld wel met droge ogen beweren: ‘Ik heb het gevonden’? Sluit je dan niet je ogen voor alle andere wereldburgers, die nog wanhopig op zoek zijn? Op zoek naar de meest elementaire levensbehoeften. Zoals de dieren, uit bittere noodzaak. Elke dag weer op zoek naar voldoende eten en drinken, een veilig dak boven je hoofd, een vredig land om in te wonen zonder oorlog, geweld en terreur? Wie ben ik dan, die zeg: ‘Ik heb het gevonden’? Moet je niet met U2 steeds blijven zingen: ‘I still havent found, what I’m looking for?’ ‘Ik heb nog niet gevonden, wat ik zoek’? Moeten we – juist als volgelingen van de Redder, de HEER, de Messias – niet blijven zoeken naar Gods Koninkrijk en Zijn gerechtigheid?
Toevallig zag ik afgelopen week op televisie twee mensen, die om zo te zeggen, gevonden hebben. Eerst was het de populaire zanger Gordon. Vorig jaar deed hij mee aan het programma ‘Op zoek naar God’. Hij beleefde in dat programma een soort bekering. Hij kwam er achter, dat God bestaat. Nu, een jaar later, werd hem gevraagd of hij er nog zo over dacht. Het is inderdaad het geval. Het geeft hem rust, zo vindt hij. Het heeft hem ook tot een ander mens gemaakt. Nog steeds heeft Gordon God gevonden. Of, zoals hij zelf zegt, ‘God heeft Gordon gevonden’.
Later in de week een televisie-interview van Paul Witteman met Herman Finkers. Ook Herman Finkers is iemand, die vast overtuigd en onbekommerd over zijn geloof praat. Witteman had er zichtbaar moeite mee. Met al zijn grappen en grollen probeert Herman Finkers juist dat over te brengen, wat Paul Witteman niet kan geloven: dat er meer is dan wat wij voor ogen zien. Dat het leven zoveel meer te bieden heeft, als je kunt geloven. Als je kunt zingen en praten over God. Als je ervan uit kunt gaan, dat er een hemel bestaat. Dan krijgt je leven diepte, leef je intenser en mag je de dood onbevreesd tegemoet gaan. Herman Finkers vindt eigenlijk dat meer mensen dat moeten doen. ‘Terug naar de Middeleeuwen, terug naar het leven vanuit het mysterie van het geloof’
Twee bekende Nederlanders, die het gevonden hebben. Tenminste: ze zeggen het. Ze schamen zich er niet voor. Waarom zouden ze? Het geeft hun rust, vreugde, houvast in het leven. Het maakt hun leven waardevol, dieper, mooier.
En dan die herders. Ook zij hebben gevonden. Hun zoektocht duurde geen jaren. Het kostte hun geen cent. Zonder veel moeite hebben zij gevonden, wat ze zochten. De engel had namelijk gezegd waar en wat ze zoeken moesten: in Bethlehem, een pasgeboren kind in doeken gewikkeld. Er zullen wellicht in Bethlehem die nacht nog meer baby’s geboren zijn. Die pasgeboren kinderen zullen waarschijnlijk ook allemaal ‘in doeken gewikkeld’ zijn. Dat deed elke goede moeder in die dagen: je bakerde, je wikkelde een pasgeboren kind strak in doeken. Niets bijzonders. Nee, werkelijk bijzonder is alleen het plekje, waar je dit kindje kunt vinden: het ligt in een voederbak voor de dieren. Het verblijft dus tussen de beesten, bij de beesten af.
En zo hebben ze Hem gevonden – hun Redder, Messias en HEER. Je ziet ze de stal binnen schuifelen… Eerst zien ze Maria dan Jozef, dan het Kind. Ze zien een kind. Een gewone baby, zoals er elke dag duizenden geboren worden. Gewoon een kind en zijn moeder. Met zorg in doeken gewikkeld. Maar ze zien meer dan dat. Meer dan wat ze met hun ogen zien. Meer dan het gewone. Ja, ze vinden het kind in de voederbak. ‘Nou en?’, zal een omstander zeggen. ‘Best grappig natuurlijk… een kind in de voederbak. Het zou niet MOETEN. Het is eigenlijk een schande. Dat er voor een kind geen plaats is in de nette mensenwereld. Zoals het een schande is, dat er voor sommige, te veel kinderen nog steeds geen plaats is in onze maatschappij. Maar grappig is dan de vindingrijkheid van een arme vader en moeder. Je roeit met de riemen die je hebt. Je legt je pasgeboren baby dus in de voederbak. Best leuk om te zien. En zo hebben we een mooi verhaal om met kerstfeest te vertellen. Bij kaarslicht en dennengeur…’ Maar wat nog meer? Wat vinden de herders nog meer dan dat? Wat denken ze gevonden te hebben? Wel, ze zeggen, dat ze HET gevonden hebben. Hun redder, Messias, hun HEER. Het grote geheim, het mysterie van Herman Finkers. De God van Gordon. Ze hebben dát gevonden, waar ieder mens, die verder kijkt dan zijn neus lang is, naar op zoek is. Levensvulling, geluk, een zinvol leven. Ze hebben Hem gevonden, die alle deeltjes en atomen heeft geschapen. Hem die gewicht geeft aan de dingen. De oorsprong van het leven. De grond van het bestaan. Hij ligt in de voederbak. God in de kribbe. ‘Weten jullie dat nu wel zeker, beste herders?’, vragen wij kritisch. ‘Hebben jullie echt gevonden, wat jullie zoeken?’ Zeker weten, zeggen de herders. ‘want we zien, wat we van de HERE God gehoord hebben. We zien het Woord, dat is geschied. Waar de engel over sprak, zien wij nu met eigen ogen. Gods Woord wees ons de weg naar het Kind in de kribbe. Het woord van God was het licht op ons pad. Het kan niet missen.
En wij? Waar moeten wij het zoeken? Waar kunnen wij het vinden? In Bethlehem is de stal verlaten en de voederbak leeg. We moeten het hebben van horen zeggen. Een bericht uit de hemel van een engel krijgen wij niet. Wel een bericht van Boven. Het Woord van God, dat onder ons opengaat. Dat we telkens weer mogen horen. Hier in de kerk bijvoorbeeld. Als we de Bijbel lezen, klinkt de hemelse boodschap in onze oren. Daar mogen we ‘het’ zoeken. De HEER zoeken nu hij zich laat vinden. Hem aanroepen, want hij is nabij. Als water voor de dorstigen. Voedsel voor wie honger hebben. Zo zien we het kind van Bethlehem. Zo ontmoeten wij onze Redder, Heer, Messias. We komen Hem telkens weer tegen. Zijn Woord leert ons namelijk met andere ogen naar onze werkelijkheid te kijken. Het zegt ons ook niet stil te blijven staan. Je hebt pas echt gevonden, als je in beweging komt voor God en je medemens. Bij de kribbe blijf je niet staan. Jezus roept ons op te blijven zoeken naar Zijn Koninkrijk dat komen gaat. Tot aan Zijn komst aan het einde der tijden. Dan zal een ieder, die Hem zoekt, uitroepen: ‘Gevonden!’.

 

terug naar beginpagina