|
Bidden voor de overheid Preek voor zondag 8 januari 2012 Grote Kerk, Varsseveld (viering Heilig Avondmaal) Schriftlezingen: Psalm 72 en Matteüs 2: 1-12 |
Tekst:
Van Salomo.
Geef, o God, uw wetten aan de koning,
uw gerechtigheid aan de koningszoon.
Moge hij uw volk rechtvaardig besturen,
uw arme volk naar recht en wet.
(Psalm 72:1-2)
Politiek is één van de onderwerpen, waar vrijwel iedereen verstand van heeft.
Beter gezegd: waar vrijwel iedereen verstand van DENKT te hebben. Net als
van voetbal. Als de oranjekoorts straks toeneemt en ‘we’ de finale bereiken van
het EK, zal bondscoach van Marwijk weer de hulp kunnen inroepen van zestien
miljoen hulptrainers. Die hem allemaal kunnen vertellen wie er op doel en wie er
in de spits moet staan. Die het allemaal beter denken te weten dan de bondscoach
zelf.
Naast het beroep van bondscoach is het beroep van minister-president een zelfde
lot beschoren. Ook als premier Rutte een lastige knoop moet doorhakken, staan
zestien miljoen Nederlandse burgers als beste stuurlui aan de wal. Nou ja, laten
we er een paar miljoen aftrekken, die het allemaal wel best vinden. Of zij die
niet in staat zijn een goede mening te vormen. Maar dan blijven er nog vele
miljoenen over, die het wel zullen vertellen. Of die gaan mopperen, als het even
niet gaat zoals zij willen. Of die verzuurd hun schouders ophalen en verzuchten:
‘Was IK maar minister! Dan zou IK het wel weten!’.
Daar is op zich natuurlijk niets mis mee. Als gerespecteerd staatsburger van een
democratisch land mag je meedenken, meestemmen en dus ook meepraten. Dus –
gevraagd of ongevraagd – leveren wij commentaar, als we de krant opslaan of Den
Haag Vandaag bekijken. En van tijd tot tijd vragen wij ons af: ‘Waar zijn ze in
Den Haag NU weer mee bezig?’
In Bijbelse tijd was dat natuurlijk wel anders. In de dagen van Jezus’ geboorte
regeerde de Romeinse keizer als opperste machthebber. Die duldde geen inspraak,
tegenspraak of kritiek. Met grof geweld was het keizer Augustus, die in die
dagen de hoogste bevelen gaf. En onder hem stonden andere dictators met een meer
of minder groot rijksgebied. Zoals koning Herodes, die over Palestina regeerde.
Deze koning Herodes, bijgenaamd ‘De Grote’, was een jaloers en achterdochtig
man. Achter elke boom zocht hij wel een concurrent, die hem van de troon kon
stoten. Alle kritiek op zijn bewind werd in de kiem gesmoord. Als de wijzen uit
het Oosten dus in Jeruzalem komen en vragen, waar de pasgeboren koning van de
Joden is, slaan bij hem de stoppen door. De vreselijke gevolgen zijn bekend. De
kindermoord te Bethlehem is één van de vele gruwelijke daden, die deze Herodes
op zijn kerfstok kan zetten. En je hoort de kritiek, de klacht, het geweeklaag
aanzwellen: ‘Als ik toch eens koning was…’
Maar
nee, zo zijn de wijzen niet. Zij vinden zichzelf geen koningstitel waard. Zij
zoeken juist de koning. De echte koning. De koning, die als een ster in de nacht
de wereld zal verlichten. De koning, die van Godswege aan de hemel zal staan
blinken.
De wijzen – de magiërs - noemt de Nieuwe Bijbelvertaling hen. Ze houden zich
bezig met natuurlijke en bovennatuurlijk zaken. Ze hebben – op hun manier en
volgens hun beste weten – dé ster gezien. Ze gaan die ster achterna, totdat hij
hun Jezus aanwijst als dé koning in Bethlehem geboren. Ze knielen neer en
bewijzen hem hulde. Ze bieden Hem geschenken aan – goud, wierook en mirre.
Latere kerkelijke traditie heeft hen op de troon gezet. Het heeft hen tot
‘koningen’ gemaakt. Drie Koningen – hun feest valt op 6 januari als afsluiting
van het kerstfeest. Wij vieren het vandaag. De drie koningen komen om de koning
te aanbidden. Matteüs vertelt dat dus niet zo. Hij gebruikt het woord ‘koningen’
niet voor de wijzen. Hij denkt er ongetwijfeld wel aan, als hij zijn verhaal
opschrijft. Want Matteüs kent de profeet Jesaja, die aankondigde, dat koningen
zullen komen om dé Koning te begroeten, te eren en geschenken aan te bieden.
Goud en wierook. Matteüs kent ongetwijfeld ook Psalm 72, die wij vanmorgen
gelezen en gezongen hebben. Het loflied op de ware koning.
‘Van Salomo’, luidt het opschrift boven deze Psalm. En dat is waarschijnlijk
geen exacte, historische mededeling. Het zet wel de toon van de Psalm. Want
zoals wij in Nederland het hebben over de ‘Gouden Eeuw’, zo denken de Joden over
de tijd van koning Salomo. Hij was koning van de gouden eeuw. Hij was de
koningszoon, de zoon van David, waar de Psalm over zingt.
‘Dat was nog eens een gouwe ouwe tijd’, vertelt een joodse vader aan zijn kind.
Hij vertelt het, alsof hij er zelf bij is geweest. ‘Toen lag er vrede over het
land,
zoals het groene gras de heuvels en de bergen tooit. Na frisse regens ademt ons
dorre land op onder Salomo’s weldadig bewind. Het is rechtvaardige vrede –
misdaad loont niet. Schuldigen worden gestraft. Recht is recht. Krom wordt niet
recht gepraat. Het is vrede voor iedereen zonder onderscheid. Vrede in het land
en vrede op aarde. De koning bezweek niet voor de verleiding van de macht. Hij
was wars van corruptie en machtsmisbruik. Hij was er voor zijn onderdanen als
‘dienaar ’t allen stond’. De koning zorgde ervoor, dat de armen en verdrukten
werden opgericht. Hij had oog voor de minste mensen: de vreemdeling, de wees en
de weduwe. Hun bloed was kostbaar in zijn ogen. En dat had uitstraling! Van
heinde en verre kwamen hoogwaardigheidsbekleders om dit wonder te bezien. Om
Salomo te ontmoeten kwam er een koningin uit het legendarische land Scheba. Het
land dat wij in onze atlas op het Arabisch schiereiland moeten zoeken. Een
roemru
cht
land van goud en wierook. Ook uit Saba, het niet minder legendarische land in de
hoorn van Afrika, kwamen koningen om de ware koning te eren. En van de andere
kant van de zee voeren er boten uit het Spaanse Tarsis onze havens binnen om
scheepsladingen goederen af te leveren voor de grote vredevorst’.
Ja, ja, een Joodse vader kon er zo prachtig lyrisch over vertellen aan zijn
zoon. Die gouden tijd… Hij romantiseerde er op los. Want zó volmaakt was dat
koningschap van Salomo nou ook weer niet. En het was ook zeker niet voor altijd
en eeuwig zo gebleven, zoals de Psalm het bezingt. Psalm 72 is dan ook geen
beschrijving van een goeie ouwe tijd. Het is een gebed. ‘Geef, o God, uw wetten
aan de koning, uw gerechtigheid aan de koningszoon’. Een gebed voor een
overheid, die Gods recht en gerechtigheid hoog in het vaandel zet. Uit deze
Psalm zucht het verlangen van het Joodse volk, ja van de hele wereld naar vrede
op aarde. Het smeekt de HEER om een rechtvaardige samenleving voor alle
verenigde naties. Het is een gebed om de komst van een koning, die zich zal
laten leiden door Gods gerechtigheid. De Mens naar Gods hart, die Gods recht zal
brengen aan een wereld in nood.
De wijzen uit het oosten zijn naar Jeruzalem gekomen, omdat die koning in
Bethlehem geboren is. Ze zijn gekomen om Hem te aanbidden en hun geschenken aan
te bieden. Ze zien in Jezus de beloofde koning. Hij, die niet gekomen is om te
heersen, maar om te dienen. Hij die niet kwam om te oordelen, maar om te
redden wat verloren is. Hij die niet het bloed van zijn vijanden wilde zien,
maar zijn eigen vlees en bloed heeft opgeofferd aan het kruis.
Aan deze koning Jezus mogen we alle machthebbers op aarde spiegelen. Kritiek op
grond van Zijn evangelie is gerechtvaardigde kritiek. Dat moet op zijn tijd
gezegd worden. We moeten ook onze overheid beoordelen met de maatstaf van Gods
Koninkrijk. En dan valt er heel wat op aan te merken. Maar wat we dan vooral ook
niet mogen vergeten is, wat Psalm 72 doet: Bidden! Bidden voor de koning,
keizer, admiraal. Bidden voor onze koningin, ministers en kamerleden. Bidden
voor burgemeester, wethouders en raadsleden. Niet alleen mopperen en klagen op
een overheid, die het in ONZE ogen nooit goed doet. Laten we niet vergeten om
Koninklijke kracht, wijsheid en moed te vragen voor allen, die over ons regeren.
Dat zij ons regeren bij de gratie Gods. Laten wij erom bidden, dat door hun
regering er iets zichtbaar mag worden van onze grote Koning, Jezus Christus.
En laten wij dan allen zoals de wijzen aan deze Koning eer bewijzen. Niet alleen
met mooie woorden of geschenken, zilver en goud. Vooral door Hem het beste aan
te bieden wat wij hebben: ons eigen leven.