|
De Bestemming Preek voor zondag 22 januari 2012 Keurhorst, Sinderen (in deze dienst ontving Suze Reuterink het teken van de Heilige Doop) Schriftlezingen: Psalm 146 en 1 Korintiërs 8 |
‘Wij weten: er is één God, de Vader, uit wie alles is ontstaan en voor wie zijn bestemd, en één Heer, Jezus Christus, door wie alles bestaat en door wie wij leven’ (1 Korintiërs 8:6)
‘Ik lig op mijn rug in het gras, aanschouw de
maan. Ik vraag haar of zij misschien weet waarom wij bestaan? Waarom we worden
geboren en straks weer
gaan? Maar ze zwijgt en kijkt me lachend aan’
Trouwe fans hebben het vast en zeker herkend: woorden van ‘De bestemming’ van
Marco Borsato. Als ik goed zou kunnen zingen, had ik ze gezongen. Als ik de
originele CD had gehad, zou ik hem hebben laten horen. In de kerk ga je
natuurlijk niet ‘illegaal’ doen… De woorden zijn vast ook wel genoeg. Genoeg om
bij jou, bij mij iets wakker te roepen. Een vraag, die ieder mens zou moeten
stellen. Die ieder mens, die een beetje verder kijkt dan zijn neus lang is, vast
ook wel eens stelt. Waar leef ik voor? Waar ben ik voor geboren? Waarom moet ik
straks weer heengaan? Waar is die - korte of langere - tijd dat ik hier ben voor
bedoeld?
Deze levensvraag houdt je meestal niet bezig, als het leven gladjes verloopt.
Ach ja, als alles zijn gangetje gaat dan denk je er niet aan. Je leeft je leven
– van dag tot dag, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Je hebt het naar je
zin, als de zon schijnt. En wat minder als het regent – letterlijk en
figuurlijk. Maar plotseling kan de storm boven je leven losbarsten. Zwaar weer!
Je leven wordt hardhandig stil gezet door een schokkende gebeurtenis. Even
plotseling kan er zomaar een heerlijke zonnestraal door de wolken prikken. Dan
sta je even stil en je vraagt: ‘Waarom? Waarom ben ik hier? Wat is mijn
oorsprong, mijn doel, mijn bestemming?’.
Marco Borsato vraagt het aan de maan – die geeft natuurlijk geen antwoord. Nu
durf ik te beweren, dat ik het antwoord weet. Waarom ik leef. Waarvoor ik leef.
Waartoe ik leef. Het antwoord dat Paulus geeft. Hij weet het, hij geeft het…
Maar, wacht even, het is geen enkelvoud. Paulus mag misschien wel eens overkomen
als een betweter – ‘ik weet het’. Vandaag spreekt hij in de eerste persoon
meervoud: ‘WIJ weten…’. En Paulus zou het misschien ook wel voor ons gezongen
hebben, als HIJ goed kon zingen. Wat hij zegt zou namelijk wel eens een lied
kunnen zijn uit de eerste christelijke gemeente. Eén van de alleroudste liederen
met één van de alleroudste christelijke geloofsbelijdenissen. Een belijdenis die
op zijn beurt weer aansluit bij de Joodse geloofsbelijdenis. ‘Hoor, Israël, de
HERE is onze God, de HERE is één’. De “wij” die het “weten’ zijn dus het volk
van God. Het zijn ‘wij samengekomen in Gods Naam. Wij, ‘die in de naam van Jezus
samen een loflied aanheffen’. Wij zingen van wat we weten. Wat we vooral niet
moeten vergeten. Zoals wij elke zondag de gelegenheid hebben om weer met elkaar
te zingen, dat de HEER onze Herder is. Met elkaar te belijden, dat Hij onze God
is. Met elkaar te weten om het niet te vergeten, waarvoor wij bestaan.
Toch aarzel ik even, voor ik het antwoord geef. Want met elkaar, als kerk, wij
samen: ook dat kan zo eigenwijs overkomen. Alsof wij het weten en wij het wel
eens even zullen vertellen. Alsof wat wij weten toch niet meer of minder is dan
een geloof. Een geloof, waar geen harde bewijzen voor zijn. Waar wij dus
allemaal bij tijd en wijle ook wel eens aan twijfelen. Deze ‘wetenschap’ is
geloofswetenschap, die je een ander niet kunt aanpraten. Laat staan dat je er
een ander mee om de oren kunt slaan. Deze wetenschap is ons ‘ook maar’ komen
aanwaaien door de Geest van God. Via onze ouders of andere mensen hebben we het
doorgekregen. We weten het dus niet ‘beter’ dan een ander. We zijn gegrepen door
die Ander. We hoeven ons dus geen haar beter te voelen.
Als je het hele betoog van de Korinthebrief zou lezen, zou je merken dat dat
precies de bedoeling van Paulus is. Hij begint in 1 Korintiërs 8 dan ook niet
met
‘weten’ maar met ‘liefhebben’. Dat is het kader: de liefde. Daardoor worden deze
woorden omsloten. Het gaat uiteindelijk niet om wat ‘wij weten’; het gaat erom,
dat wij elkaar liefhebben. In de gemeente van Korinthe was namelijk het grote
probleem, dat ze elkaar met hun kennis om de oren sloegen. Gemeenteleden vlogen
elkaar in de haren over het eten van offervlees. Voor ons een merkwaardig
probleem. Maar het was een heikel punt in de stad Korinthe. Het overgrote
gedeelte van de bevolking was heidens. Zij vereerden goden als Zeus en Apollo en
godinnen als Demeter, Venus en Pallas Athene. Ze brachten offers aan die goden
en godinnen. En bij een offer hoort een offermaaltijd. Je gaat samen aan tafel
met – bij wijze van spreken – de goden als gastheer. Je eet samen met elkaar het
offervlees. En daarvoor nodig je je buren en bekenden uit. ‘Maar ehhh, mag dat
wel?’, vragen sommige christenen zich gewetensvol af. ‘Is dat geen afgoderij?’
‘Natuurlijk mag dat’, zeggen anderen, die zich sterk voelen ‘Je weet toch, dat
er maar één God is? Dat al die andere goden verzinsels zijn? Die bestaan niet.
Dus kunnen ze ook geen kwaad doen. En als ze geen kwaad kunnen doen, hoef je ook
niet bang te zijn, dat je van dat offervlees iets krijgt. Vlees is vlees, dus
geniet van wat de enige God je geeft!’. Van Paulus krijgen ze gelijk. Tenminste:
wat hun kennis betreft. Inderdaad: ‘Wij weten: er is maar één God’. Helemaal mee
eens – maar naast kennis is er ook nog zo iets als liefde. En de liefde is bij
jullie ver te zoeken. Gewetensbezwaarde broeders en zusters slaan jullie met
jullie kennis om de oren. Ze kunnen trouwens nog wel eens een beetje gelijk
hebben ook. Want al is er dan maar één God – het wemelt op onze bedorven aarde
van de zogenaamde goden. En die nepgoden willen maar één ding: tweespalt, ruzie
in de tent, zodat de liefde verkilt’. Nee, die ene God wijst ons de weg van de
liefde. En dat is eigenlijk ook precies het antwoord op de grote levensvragen.
‘Ik lig op mijn rug en ik kijk naar de maan en ik vraag mij af: wat is de zin
van mijn bestaan? Waarom ben ik geboren en moet ik eenmaal weer gaan?’. Als je
dat wilt weten, dan mag je het weten. Het goede nieuws! Een antwoord op de
grootste vragen. Ik zal, wij zullen het je in alle bescheidenheid laten weten.
Het antwoord bestaat uit drie punten. Je kunt het heel simpel zeggen met drie
voorzetsels: uit, door en voor. We zijn uit God, we zijn door God en we zijn er
voor God. Zoals we straks zullen dopen met die drievoudige Naam van God: Vader,
Zoon en Heilige Geest. Omdat we ook over Suze mogen zeggen: je bent UIT God, je
bent door God en je mag leven voor God.
We zijn UIT God. Als je dat hoort, dan sta je – als ouders - bij de wieg van je
baby of het bedje van je kind. Het slaapt. Het weet van niks. En je mag weten:
dit is niet zomaar begonnen. Het is zelfs niet bij ONS tweeën begonnen. Het is
iets van Boven – het was uiteindelijk Zijn briljante idee. Een klein mensje met
alles
er op
en er aan. Iets van God. Gekregen. Geschonken. Hij heeft het gewild. Hij heeft
het geschapen. ‘Zo heel gewoon en toch zo bijzonder. Zo alledaags maar steeds
weer een wonder’. Achter ons als vader en moeder staat onze grote Vader in de
hemel – die het leven geeft. We zijn uit Hem.
En we zijn DOOR Hem. Bij dit voorzetsel klinkt direct de naam van Jezus. Het is
door onze HEER Jezus Christus dat wij mogen leven. Hij is het die Zijn leven
heeft gegeven om ons te redden van de dood. Hij ging voor ons onder in het water
van de dood om op te staan tot nieuw leven. En een ieder, die in Hem gelooft en
op Hem vertrouwt, mag leven door Hem.
En we zijn er VOOR God. Hij is onze bestemming. Hij staat als een Vader ons op
te wachten. Bij Hem mogen we altijd weer aankomen. Hoe ver en hoe lang we ook
dwalen, je hebt je leven lang de kans om bij Hem je bestemming te vinden.
Uiteindelijk, aan het einde van het leven, of het nu lang of kort is, mag je
helemaal ‘thuis’ komen. Dan heb je de bestemming bereikt.
Uit God onze Schepper zijn wij ontstaan. Door Jezus, onze HEER mogen we leven.
Voor de hemelse Vader zijn we bestemd.
Daar kun je over denken. Dat kun je weten. Het wordt je verteld en je mag het
aannemen. Je moet met deze kennis elkaar niet de maat nemen. Je moet met het
geloof elkaar niet om de oren slaan. Het gaat uiteindelijk niet om wat we weten.
Het gaat er om, dat wij elkaar liefhebben en elkaar het beste gunnen. Je kunt er
dus maar het beste van zingen. Als een dankbaar en blij mens door het leven
gaan. Zoals we het met Psalm 146 gezongen hebben: ‘Zing mijn ziel voor God uw
Here, zing die u het leven geeft. Zing mijn ziel, uw God ter ere zing voor Hem
zolang gij leeft. Ziel, je bent geboren tot zingen voor de Heer je God’.
En als je dan ’s avond op je rug in het gras ligt
en je kijkt naar de maan
en je vraagt naar het antwoord van je bestaan
dan fluistert de wind en jij mag het horen
dat jij hier op aarde niet voor niets bent geboren
je voelt het, je weet het, het is door Gods Geest,
dat alles niet voor niets is geweest.